Dat vonnis vergt niet nog meer reacties, maar exegese

De voetballes Kamagurka en Herr Seele (Achterpagina, 5 december)

Mooi nieuws, zo kort voor de jaarwisseling, dat aan NRC-redacteur en essayist Bas Heijne deze week de P.C. Hooftprijs voor beschouwend proza is toegekend.

Maar hoe zit het met de essayistiek in NRC-kranten? Natuurlijk kan een krant die drijft op dagelijks nieuws niet elke week een definiërend of agendabepalend opstel van een zwaargewicht presenteren – maar in het recente verleden had NRC Handelsblad die geregeld wél. Paul Scheffers Het multiculturele drama (2000) dreunt nog steeds na, hoe weinig dreunend het vooral zoekende stuk (een essay is tenslotte een ‘probeersel’) zelf ook was opgeschreven. Of denk aan Het zelfgewilde einde van oude mensen van Huib Drion (1991), een pleidooi dat de aanzet was tot maatschappelijk debat en, uiteindelijk, nieuwe wetgeving. Een jaar eerder denderde dichter en historicus J.W. Oerlemans door de kolommen met het oogopenende essay Eén-partijstaat Nederland, zijn aanklacht tegen de eenvormigheid van wat nu wel ‘de politieke kaste’ of gewoon ‘de elite’ heet.

Dit type essayistiek is schaars geworden in de huidige journalistieke cyclus, waarin nieuws van gisteren al snel honderd jaar oud lijkt. Als het stof is opgetrokken, trekt de karavaan verder. Maar voor een geslaagd probeersel moet je de tijd juist even stil kunnen zetten. Het is er nog wel, soms; zie het stuk van historicus Eelco Runia dit weekend.

Ik heb er nog wel een suggestie voor, naar aanleiding van het vonnis in de strafzaak tegen Geert Wilders. Want heeft de krant daar genoeg aan gedaan, te veel, of juist te weinig? Debatdeskundige Lars Duursma vermaande de media dinsdag op de opiniepagina niet slaafs alle uitlatingen van de veroordeelde politicus als groot nieuws te brengen – en daar heeft hij gelijk in (Journalist, je bent geen doorgeefluik, 13 december). Hem was opgevallen dat aandacht voor de inhoud van het vonnis in de media, ook in NRC, al snel werd verdrongen door commentaar en reacties, en dan vooral die van Wilders zelf, die in De Telegraaf beloofde „schoon schip” te maken. Ja, zo domineerde de aangeklaagde toch weer als aanklager het debat.

Trouw-columnist J.A.A. van Doorn, eerder NRC-columnist, trok tien jaar geleden diezelfde conclusie, toen NRC Handelsblad een opiniestuk van Wilders had geweigerd en mikpunt werd van hoon (voor de goede orde: Wilders had toen al negen keer met andere stukken op de opiniepagina gestaan, daarna met nog eens zeven). Van Doorn formuleerde het nog wat scherper dan Duursma: „Wie zich als spiegel opstelt, maakt zich medeplichtig.” (Is een krant meer dan een spiegel?, 25 augustus 2007).

Duursma verweet ook NRC het „schoon schip maken” te hebben gemeld op de site zonder clou wat Wilders daarmee bedoelde. Goed punt, maar het is een algemene complicatie met een politicus als Wilders die zich veelal aan debat onttrekt: je weet vaak niet precies wat zijn uitspraken betekenen, behalve meer olie op het vuur.

Deed NRC te veel?

Dat niet. Eerder te weinig.

Er was uiteraard verslaggeving met reacties, ‘gewone mensen’, opiniestukken van advocaat Gerard Spong en Thierry Baudet, politicus en (naar eigen ironisch zeggen) de beste columnist die NRC ooit gehad heeft. Het Commentaar sprak van „een wijs vonnis” en een „voorwaardelijke rode kaart”. Ook in deze zaterdagkrant weer stukken over Wilders’ houding tegenover de rechters, onder meer van columnist Folkert Jensma, een gezaghebbende NRC-stem, die vlak voor het vonnis nog hartstochtelijk pleitte voor vrijspraak. Er is niets op tegen dat Commentaar en columnist andere accenten leggen, maar het voedt de behoefte aan reflectie op: het vonnis zelf. Dus graag meer exegese.

Ja, Spong en Baudet deden hun zegje erover – maar die hadden hun mening al alom gegeven. Wat vonden andere juristen en rechtsfilosofen? Hoe verhoudt het vonnis zich tot internationale wetgeving, of het debat over free speech en hate speech in de VS? Is oproepen tot geweld, dat volgens pleitbezorgers van verruiming van de vrijheid van meningsuiting als enige grens moet gelden, helder te markeren? Wanneer zijn leuzen een voorbode van geweld?

Stof genoeg dus, ook over de subtiele motivatie van de rechtbank om Wilders vrij te spreken van haatzaaien. Of over ‘gekwetste gevoelens’. In een gesprek op het digitale tv-kanaal Café Weltschmerz merkte politicoloog Meindert Fennema op dat het in deze zaak helemaal niet gaat om het recht to shock, offend and disturb. In een café ‘minder, minder’ laten scanderen is geen debat of opiniestrijd, maar het aanjagen van onveiligheid bij een op afkomst gedefinieerde groep. Burgers daartegen beschermen, meent Fennema, is een taak van de overheid.

De lezers van de krant kregen overigens ook weinig ruimte: op maandag twee (!) brieven. (Ik herhaal mijn pleidooi voor veel meer ruimte voor ingezonden brieven in de krant en online.) Jammer, want juist NRC kan het koppelteken zijn tussen de vakmatige annotatie van een vonnis in het Nederlands Juristenblad (NJB) en de geïnteresseerde leek, die meer wil weten dan op te maken valt uit binaire reacties of commentaar.

Kortom, gezocht: koele essayistische reflectie na de heet geserveerde brute feiten en het rijke dessert aan persoonlijke meningen, hoe interessant en beargumenteerd die op zichzelf ook zijn. Ook als de karavaan verder is getrokken, wil je graag weten of je verstaan hebt wat je hebt gelezen, bijbels gezegd. Het gaat tenslotte, zoals een lezeres me vorige week schreef, om niet minder dan de ‘Grote Vragen’ van deze tijd.

Dat is, denk ik, ook de uitweg uit het Wilders-dilemma dat Duursma schetste. Om het maar weer in voetbaltermen te zeggen: de ogen ook na de wedstrijd op de bal houden, in plaats van alleen op de man – al wekt die nog zo vaak de indruk zelf de bal te zijn.

Reacties: ombudsman@nrc.nl