Column

Ruzie tussen reddingsbootjes

Mark Rutte en zijn Europese collega’s bespraken gisteren in Brussel de druk op Europa’s buitengrenzen. Die ziet er anders uit dan vorige winter. Toen speelde de Syrische vluchtelingencrisis – duizenden mannen, vrouwen en kinderen die vanuit Turkse kampen, via de Griekse eilanden en de Balkan, op weg waren naar het Noorden. Zoiets kan met de val van Aleppo opnieuw gebeuren. Maar voorlopig is het voor ons een Afrikaanse migrantencrisis van vooral jonge mannen die de oversteek vanuit Libië, Egypte of Tunesië naar Italië wagen.

De chaos van vorige winter werd bezworen door het dichten van de Balkanroute (februari) en het Turkije- akkoord (maart). Weliswaar is onzeker hoelang de deal met Erdogan houdt, maar voorlopig staat deze dam: acht maanden ervoor kwamen 850.00 irreguliere migranten in Griekenland aan, de acht maanden erna zo’n 23.000. Volgens sommigen heeft de stroom uit Syrië zich verlegd. In elk geval zijn de mensen die nu nog Syrië ontvluchten anderen dan de migranten die omkomen op zee. Zie de kaart: tussen Syrië en Egypte ligt Israël, een land waar je niet zonder papieren doorheen komt. En zie de statistieken: de top-10 herkomstlanden van ‘irreguliere migranten’ in Italië sinds januari 2014 bestaat uit Nigeria, Eritrea, Guinea, Ivoorkust, Gambia, Senegal, Mali, Soedan, Bangladesh en Somalië. Geen Syrië. Maar vooral economische migranten uit West-Afrika en de Hoorn van Afrika wier asielverzoek weinig kans maakt. Dit maakt een verschil.

Om de oversteek te ontmoedigen lanceerde de EU een antismokkelmissie in Libische wateren. Die pikte dit jaar al 21.000 mensen op; een zustermissie bij Tunesië bijna 50.000. Desondanks verdronken er ruim 4.000. Moreel dilemma: marineschepen vlak voor de kust werken als pull factor. Wetende dat er redders klaarstaan, sturen smokkelaars hun klanten in immer gammeler bootjes de zee op. Rutte betitelde de EU-missie als ‘veerdienst’. Niet ten onrechte. Voor humanitaire organisaties blijft elke dode er een te veel; zij varen nu met eigen schepen. Dit tot irritatie van Frontex, die de NGO’s verwijt de smokkel-business te faciliteren en de identificatie van migranten tegen te werken. Gewetensnood maakt organisaties als Médecins sans Frontières immuun voor kritiek; toch redden zij in Libië geen oorlogsslachtoffers maar helpen zij illegale economische migratie, waarvoor geen steun bestaat. Zo ruziën voor de Libische kust de reddingsbootjes van de moraal met de reddingsbootjes van de publieke macht. In dat conflict voel je de spanning tussen universele liefdadigheid en de noodzaak controle te houden op wie ons grondgebied binnenkomt.

De Turkije-deal uit maart was bijzonder omdat het die spanning erkende, dankzij het principe: „Jullie Turken nemen alle nieuw aangekomen vluchtelingen uit Griekenland terug en in ruil halen wij vluchtelingen rechtstreeks uit Turkse kampen naar Europa – één op één.” De situatie werd beheersbaar, er verdronken minder mensen in de Egeïsche Zee en tegelijk toonde Europa liefdadigheid. Van het Europese thuispubliek werden zowel de voorstanders van open grenzen als van dichte grenzen bediend. Daarom konden bij ons zowel Diederik Samsom als Mark Rutte er enthousiast de boer mee op. Vanwege de Afrikaanse overtocht zijn vergelijkbare afspraken nodig met Tunesië, Libië en Egypte (al is het met andere tegenprestaties aangezien het niet om oorlogsvluchtelingen gaat). Zoiets is inmiddels door Rutte bepleit. Wellicht ligt hier een mooie nieuwe taak voor Samsom.