Peter bedankt

Soms lijkt het of de fantasie tot leven komt en je een creatie van een genie in het echt ziet. Even met de ogen knipperen of je je niet vergist, maar dat doe je niet, het kan niet waar zijn en toch is de man die schuin tegenover je zit helemaal echt. Geen tekening dus, nee, een droef kijkende zestiger met een hangsnor in een kroeg in de Pijp. Voorovergebogen zit hij en hij staart in de verte, of naar het niets, of naar alles tegelijk, zwijgzaam en sneu. Dat je zegt: hij doet het erom.

Op de bar een glas bier en een borrel, de kopstoot die je vandaag de dag nauwelijks nog ziet. Verloren gewaand cultureel erfgoed. Klassiek recept om snel alles te vergeten, uit de tijd van vóór de shotjes en cocktails, van vóór de schaamte. Iedereen kan zijn kopstoot zien, het kan hem niet schelen.

Ook de trenchcoat om zijn schouders en daaronder een donkere coltrui zijn goed gekozen. Het is hier binnen best warm — niemand heeft zijn overjas nog aan, maar hij wel. Tussen opgewekte stemmen en muziek zit hij op een eilandje waar het koud is.

De eenzame drinker lijkt iets te willen uitdrukken met zijn houding, die kleding, helemaal seventies en morsig, maar niet onsympathiek. Na een tijdje observeren denk je dat hij na ampele studie besloten heeft de oud-Amsterdamse verliezer te verbeelden.

Natuurlijk: Peter van Straaten. Op het moment van deze observatie tekent de cartoonist en illustrator nog, zij het niet veel meer; ouderdom en ziekte remmen zijn scheppingsdrang al een tijdje af, de stilstand nadert. Van Straaten was lange tijd een fenomeen in Het Parool, in Vrij Nederland, de Volkskrant. Huisgenoot van het sociaal bewogen, tot empathie en ironie geneigde Nederland. Het vorige Nederland, zeg maar. Peter van Straatens tafereeltjes in cafés pasten mooi bij Simon Carmiggelt, zoals in het boekje Mooi Kado. Los en melancholiek; krassig, zelden bijterig.

Zet de man hier in dit café werkelijk een standbeeld voor de gestorven tekenheld neer? Je zou het hem kunnen vragen. De krukken links en rechts van hem zijn leeg, de contouren van zijn creatie komen fraai tot uiting. Je verzint er een naam voor: Peter bedankt.

„Zal ik even bijschenken?” De kelner heft de jeneverfles al op, klaar om hem te kantelen en de roes van de hangsnor te helpen verdiepen. Knap. Zit de kelner in het complot?

„Alsjeblieft”, antwoordt de man in het juiste sombere timbre, waarin nog een sprankje hoop klinkt.

Blijven kijken. Hij buigt zich voorover om het kopje van de jenever af te slurpen. Werkelijk alles klopt. Hem nu gewoon even vragen of hij Van Straaten kent, dat kan toch wel?

Maar opeens is ie weg, als een weggegooide prop papier.

Misschien was alles verbeelding, een door alcohol aangestuurd fantasietje. Hoewel, nee, want kijk eens, de hangsnor dronk geen jenever, maar Jägermeister.

Echt. Zoiets verzin je niet. Hij wordt bedankt.

Auke Kok is schrijver en journalist.