Column

Nergens vind je zo veel bijeengepakte boekenliefde als bij de kleine uitgevers

In de kelder van Paradiso verdween een boekje van A. Moonen van tafel.

Ik was zo lang niet op de Beurs voor Kleine Uitgevers geweest dat het evenement inmiddels anders heet: je moet nu Beurs van Bijzondere Uitgevers zeggen. Dat lukt bijna niemand. De naam is het enige dat er in ruim veertig jaar veranderd lijkt te zijn. Op geen plaats in Nederland vind je zoveel bijeengepakte boekenliefde als afgelopen zondag in Paradiso. Bijzondere uitgevers zijn merkwaardige, volstrekt amodieuze mensen – ik had dadelijk spijt dat ik geen linnen tasje had meegenomen. Ook al omdat er zoveel moois lag: schitterende bibliofiele uitgaven, Slavische dichters, vergeten Hollanders. Een (heftig bekritiseerde) Brouwers-roofdruk ging stilletjes van tas tot tas. Er was een podium waarop een zeer bejaarde dichter niet eens zo slechte verzen voordroeg, zoals hij dat waarschijnlijk zestig jaar geleden al deed. Literatuur is nergens zo mooi als in de marge.

In de kelder hoorde ik een man een woordenlijst opsommen: ‘tieterikken, froggels, neukaspirantes, kutplanten, urinebloesems, urineteven, pikbesnijdsters, overgeëmancipeerde pispotten, schaamschap’ en zo nog een heel stuk verder. Dit kon alleen maar over A. Moonen gaan, de man die in halverwege de jaren zeventig faam verwierf als ongeleid projectiel: een vrouwenhater (dat had u al begrepen), pedofiel en psychiatrisch patiënt. En een verhalenschrijver, die als A Punt Moonen (vooral dat ‘punt’ dient met grote nadruk uitgesproken te worden, merkte ik) werd geprezen als ‘chroniqueur van de zelfkant’.

Er werd een biografische schets van Moonen gepresenteerd, Bel ik u wakker, beste man? Het monisch-manische schrijversbestaan van A. Moonen door Wim Sanders (Uitgeverij De Weideblik). Moonen komt daarin naar voren als een man die het zijn omgeving minstens zo moeilijk maakte als zichzelf – zie het hoofdstuk ‘Moonen, de hufterige pestkop’, waarin staat hoe hij in een restaurant luidkeels opmerkingen maakte over het ‘parmantige kontje’ van een zesjarige. Tja, het waren de jaren waarin Boudewijn Büch (ook een kennis van Moonen) pedofilie voorwendde om zijn poëzie ‘in de markt te zetten’. Moonen was een reviaan met ironiearmoede, maar hij kon mooi schrijven. Over de dood van zijn vader: ‘Moeder sjouwde dekens aan omdat hij het almaar kouder kreeg. Ook waste zij hem zodat hij schoon naar het ziekenhuis kon. Ja, hij moest nog naar een ziekenhuis, en toen er door twee verplegers werd gebeld had hij net zijn laatste ademzuchtje uitgeblazen en riep moeder naar beneden dat het niet meer nodig was.’

Goed dat het niet onopgemerkt is gebleven. Intussen had schrijver en uitgever Guus Bauer in de kelder van Paradiso een van de twee overgebleven exemplaren van Gastheer Moonen uit 1981 bij zich. Dat boekje was na een uur van tafel verdwenen. Ontvreemd door de geest van A. Moonen. Mocht een van de levenden het in zijn tas hebben laten glijden: Geef die Bauer snel zijn boekie terug.