Recensie

Lief is mij Uw vaderlijk vermanen

Boris Pasternak

Behalve schrijver van Dokter Zjivago was Boris Pasternak ook een van Ruslands beste dichters. Hij blinkt uit door zijn beelden, van de liefde, van hooibergen in het land, van stations en forenzen in de trein, of van een ziekenhuisopname.

We zijn in Rusland, in een klein dorpje, en het is winter. Er ligt sneeuw. Een dichter loopt door de velden. De avond begint te vallen. In de sneeuw ziet hij sporen van laarzen, en van een meisjesvoet. Hij ziet hoe een zonnestraal nog vloeit over het land, met een verrassend beeld: hij ‘stroomt als citroensap in de kuilen’. En daarna volgt er nog een verrassend beeld: ‘hij stolt als uitgelopen eiwit / dat uit zijn schaal naar buiten spat.’ En over die laatste zonnestraal op het besneeuwde pad loopt, ‘met blauwe lijnen’, het spoor van ski’s. Citroengeel, eiwit, skispoorblauw – het loopt allemaal in elkaar over in deze wat dromerige beschrijving van de besneeuwde velden. Het heeft ook wel iets van een scène uit een sprookje, of uit een kindergedicht, zeker als we bedenken dat hier eerder een meisjesvoet haar sporen in de sneeuw heeft gedrukt.

Bij de ondergaande zon voegt zich dan het gezicht op de volle maan, opnieuw met een merkwaardig, en ook weer wat kinderlijk beeld beschreven: ‘De maan rolt zijwaarts naar beneden, / ’t is net een pannenkoek met room. / Achter die bol aan jaagt een slede, / maar hem te vangen blijft een droom.’ En daarmee is het sfeervolle wintertafereel ten einde. Er blijft iets onvervulds achter, na lezing: het meisje is niet aangetroffen, we weten niet van wie de skisporen zijn en de maan is niet gevangen. Maar het mooie beeld van die pannenkoek met room hebben we er dan toch in ieder geval aan overgehouden.

Dit is een gedicht van Boris Pasternak (1890-1960). Hij schreef het in 1957, in zijn datsja, in het schrijversdorp Peredelkino, dicht bij Moskou, waar hij toen al sinds 1936 woonde. Bij die datsja moeten we ons trouwens een ruime en sierlijke chaletwoning voorstellen, voorzien van een grote garage en een enorme tuin, ter grootte van een park. Het is een typisch Pasternak-gedicht, met zijn intieme sfeer, zijn verwonderde en kinderlijke blik en zijn originele beelden. Die treffen we veel aan in zijn gedichten, waarvan nu een ruime keuze in vertaling (van Margriet Berg en Marja Wiebes) is verschenen in de Russische Bibliotheek van Van Oorschot.

Pasternak is vooral bekend van zijn geruchtmakende roman Dokter Zjivago, die niet in Rusland mocht verschijnen, en die toen naar het Westen werd gesmokkeld en daar vanaf 1957 in onwaarschijnlijk korte tijd in allerlei talen vertaald werd. Al in 1958 kreeg hij er de Nobelprijs voor literatuur voor, maar die moest hij weigeren, onder grote druk van de Russische autoriteiten. Een nieuwe vertaling (van Aai Prins) van Dokter Zjivago is dit voorjaar al verschenen, ook in de Russische Bibliotheek; volgend jaar zullen nog een deel verhalen en een deel brieven verschijnen.

Novelle in verzen

lIn Rusland is Pasternak vooral bekend als dichter. Een grote naam, van het kaliber Blok, Achmatova, Mandelstam, Tsvetajeva. Hij schreef al op jonge leeftijd veel poëzie, en hij kreeg er al snel grote bekendheid mee. Dat geldt ook voor zijn ‘poëmen’. De of het ‘poëem’, of ‘poëma’, is een typisch Russisch genre, nog het best te omschrijven als een novelle in verzen, waarvoor allerlei soorten tekst (dialogen, brieven, verhandelingen) gebruikt kunnen worden. Hier zijn er een paar opgenomen: over de revolutie van 1905, over boeren en fabrieksarbeiders, over de muiterij op de pantserkruiser Potjomkin en over luitenant Pjotr Petrovitsj Schmidt die de muiterij op de kruiser Otsjakov leidde.

Alleen uit deze onderwerpkeuze blijkt al wel dat Pasternak niet in een ivoren toren leefde en louter over citroengele zonnestralen en manen als pannenkoeken met room kon dichten. Hij wist heus wel uit welke hoek de winden waaiden en wat er in tijden van socialistisch realisme van dichters werd verwacht.

Zijn houding tegenover de revolutie was ambivalent. Hij leek wel te geloven in de historische onvermijdelijkheid ervan, en hij koos er niet voor om te emigreren, zoals zo veel andere Russische schrijvers. Toen de autoriteiten hem halverwege de jaren dertig duidelijk maakten ‘dat hij er een wereldbeschouwing op na hield die niet strookte met de tijdgeest’ besloot hij te zwijgen als dichter. Tussen 1934 en 1943 schreef hij geen gedichten meer. Hij vertaalde Shakespeare en Goethe en Rilke – en poëzie uit Georgië, wat Stalin wel beviel.

De stemming kon in Rusland nogal wisselen, zoals bekend. Tussen 1943 en 1946 kon Pasternak weer wél publiceren, maar vanaf 1946 zette een nieuwe campagne tegen het non-conformisme in de kunst in, zodat hij in het openbaar opnieuw moest zwijgen. Intussen werkte hij in stilte aan zijn Dokter Zjivago, én aan de 25 gedichten die deel uitmaken van die roman.

Als je overziet wat Pasternak dan toch nog, tussen de terreurtijden door, heeft geschreven, dan kun je niet anders dan concluderen dat het veel is. En veelzijdig. Hij is vooral een groot winterdichter. ‘Sneeuw, het sneeuwt, het sneeuwt almaar, / sneeuw, ’t is een en al verwarring: / een besneeuwde wandelaar, / ’t groen, verwonderd, in verstarring, / sneeuw op kruising en trottoir.’ Soepel vertaald! Je ziet de sneeuwvlokken voor je. Pasternak is goed in taferelen met sneeuwvelden, ijsbaantjes, arrensleeën, berkenbossen, kerstbomen, ijsbloemen en haardvuren, met de bijbehorende sfeer. ‘Een maandlang ging de sneeuwstorm rond / over de landen, / en binnen op de tafel stond / een kaars te branden.’ Maar hij dicht ook over de liefde. Of hij vertelt een sprookje. Hij schrijft over de hooibergen op het land. Over muziek. Over stations, en over forenzen in de trein. Over merels en zwaluwen. Over een ziekenhuisopname. Het is geen intellectuele of autonome poëzie, maar poëzie over het dagelijkse leven.

Pasternak is verrassend in zijn beeldspraken. Hij ziet roeken in een boom zitten; het lijken wel ‘verkoolde peren’. Noodweer, ’s nachts, met tientallen bliksemflitsen: het onweer ‘nam voor later honderd foto’s’. En als het noodweer lang geduurd heeft, zie je dat de oude linden de volgende morgen chagrijnig zijn: ze kijken ‘knorrig om zich heen, gehinderd / door gebrek aan slaap die nacht.’ Dit soort animisme, het wat kinderlijke geloof dat alles bezield is, tref je hier veel. En soms leidt dat ook wel eens tot wat al te brave biedermeierpoëzie. Joechei, het weer klaart op: ‘Wanneer aan ’t eind van de regendagen / blauw tussen wolken zichtbaar is, / wat is de lucht dan vol behagen, / wat is het gras weer stralend fris!’ Ik kan niet goed beoordelen of dit nu een eigenschap van Pasternak is of van de vertalers, die zich hebben laten verleiden tot een wat al te ouderwets register, een al te voorspelbaar ritme, met tal van tuttige tegelwijsheden tot gevolg: ‘Beminnen is een zware strijd, / maar jij bent prachtig en verheven. / ’t Geheim van jouw bekoorlijkheid / is als het raadsel van het leven.’

Muiterij

Daartegenover staan dan weer de levendig felle verslagen van de muiterij op de Potjomkin of de flitsende telegramstijl waarin de opstand in de locomotievenfabrieken van Lodz wordt beschreven. En de veel scherpere en schrijnender toon in een paar van de gedichten die bij Dokter Zjivago horen. ‘Hamlet’ is er een van. We moeten eigenlijk aannemen dat hier niet Pasternak zelf aan het woord is, maar de hoofdpersoon van zijn roman. En dokter Zjivago spreekt hier niet namens zichzelf, maar namens Hamlet. Nog beter gezegd: namens een toneelspeler die straks het toneel op moet om de rol van Hamlet te gaan spelen. Hij ziet er tegen op. Hij weet nu al de blik van de duizenden ogen in de zaal op zich gericht. Iedereen die dit gedicht leest wordt vanzelf stil, net als in de tekst zelf, en houdt de adem in. Hoe gaat deze twijfelaar het er vanaf brengen? Iedereen voelt aan dat Pasternak hier ook namens zichzelf sprak, wetende wat de publicatie van Dokter Zjivago teweeg zou brengen. Verrassend is de identificatie, in de woordkeus, met Christus in de hof van Gethsemane, vlak voordat Judas hem komt verraden. Het ‘drama’ speelt zich hier op allerlei niveaus af:

Hamlet

’t Wordt al stil. Ik sta nu op de planken.

Met mijn rug tegen de deurpost aan

tracht ik uit de verre echoklanken

op te vangen hoe ’t mij zal vergaan.

’t Duister is op mij gericht, er keren

duizenden binocles zich naar mij.

Laat de kelk aan mij voorbijgaan, Here,

Abba Vader, zo dat mogelijk zij.

Lief is mij Uw vaderlijk vermanen,

en ik ben tot deze rol bereid.

Maar vandaag speelt hier een ander drama.

Gun mij deze keer nog wat respijt.

Maar de loop van ’t stuk is als het leven.

’t Eind is onafwendbaar, ligt al vast.

’k Sta alleen, door huichelaars omgeven.

Leven is bepaald geen lichte last.

Na de publicatie van Dokter Zjivago werd Pasternak beschuldigd van het verraden en belasteren van de revolutie. Het leven werd hem onmogelijk gemaakt. Toen hij niet lang daarna stierf, op 30 mei 1960, aan longkanker, wilden de autoriteiten daar niet al te veel ruchtbaarheid aan geven. Toch kwamen er duizenden mensen uit Moskou naar Peredelkino, voor de begrafenis. Dokter Zjivago was verboden, maar er waren er veel die bij het graf de tekst van ‘Hamlet’ opzegden, uit het hoofd. De slotregel is een Russisch spreekwoord. Letterlijk: het leven is geen wandeling door een veld. Berg en Wiebes: leven is bepaald geen lichte last.