Hoe voorkom je dat slachtoffers daders worden?

Huiselijk geweld

Huiselijk geweld wordt binnen families vaak van generatie op generatie doorgegeven. Rotterdam heeft nu een bijzonder hoogleraar aan de Erasmus universiteit die onderzoekt hoe deze keten kan worden doorbroken.

Illustratie Roland Blokhuizen

Hugo de Jonge zegt het met veel nadruk: Huiselijk geweld is het grootste geweldsprobleem in Nederland. „Niet een avondje stappen, niet ‘s nachts door de verkeerde straat lopen: als burger is de kans om slachtoffer te worden van geweld nergens zo groot als in je eigen huis.”

De Jonge (CDA) is als wethouder onderwijs, jeugd en zorg belast met kinderbescherming. Rotterdam is vooruitstrevend in de aanpak van kindermishandeling en schuwt daarbij een onconventionele aanpak niet. De Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (inmiddels wet), maar ook het uithuisplaatsen van daders in plaats van slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling (wet tijdelijk huisverbod) zijn zo’n beetje in Rotterdam bedacht’. Onlangs stak Hugo de Jonge nog zijn nek uit met een doortimmerd pleidooi voor verplichte anticonceptie voor uitzonderlijk onmachtige ouders. Nu heeft de stad, voor de komende vier jaar, een bijzonder hoogleraar intergenerationele overdracht huiselijk geweld.

Een hoogleraar wat?

„Je kunt ook zeggen: een cirkel van geweld. Kinderen die getuige of slachtoffer zijn van huiselijk geweld, hebben als volwassene ook vaak een gewelddadig gezinsleven, als slachtoffer of als pleger”, legt Majone Steketee uit. Zij is directeur van het Verwey-Jonker instituut, en de komende vier jaar ook bijzonder hoogleraar in Rotterdam. „En niet alleen een gewelddadig gezinsleven”, vult De Jonge aan. „Deze kinderen zijn ook overigens meer geneigd tot geweld.”

De leerstoel vloeit voort uit een onderzoek dat het Verwey-Jonker Instituut uitvoerde voor de vier grote steden, de G4. Ook het onderzoek van deze leerstoel wordt betaald door de G4 en het ministerie van Volksgezondheid. De steden wilden weten wat het effect was van hun aanpak van huiselijk geweld. Daarvoor volgden de onderzoekers ruim 200 gezinnen waarvoor een melding voor geweld was gedaan, meestal geweld tussen de partners. In die gezinnen woonden bijna vierhonderd kinderen.

De resultaten van dat onderzoek waren schokkend, zeggen De Jonge en Steketee.

Driekwart van de kinderen kreeg geen enkele vorm van hulpverlening aangeboden na het geweld tussen de volwassenen, maar soms ook jegens hen. In het blijf-van-mijn-lijf huis werd de moeder geholpen, maar het kind vergeten bijvoorbeeld. „Terwijl ook weer uit dit onderzoek duidelijk werd dat de gevolgen voor kinderen ingrijpend kunnen zijn”, zegt Steketee. Zo bleek nu dat de helft van de vrouwen die door hun partner mishandeld werden, als kind ook huiselijk geweld hadden meegemaakt. Bij mannen is dat verband er ook, maar het is minder duidelijk.

Uit allerlei onderzoek komt wel naar voren dat kinderen die blootstaan aan huiselijk geweld later grotere kans hebben dader of slachtoffer te worden, zegt Steketee, maar we weten toch ook nog veel niet. „Wat we vooral niet goed weten is waarom het geweld bij het ene kind wel tot latere gewelddadigheid leidt, en bij het andere kind niet.”

Risico op later geweld

Er is wel bekend dat er beschermende en risicofactoren zijn, zegt Steketee. Op individueel niveau, bijvoorbeeld, zijn instabiliteit en een slecht gevoel van eigenwaarde risicofactoren. Op gezinsniveau verhogen armoede, werkloosheid en schulden het risico op later geweld. „Er is meer kennis nodig over hoe de schade bij deze kinderen zoveel mogelijk voorkomen kan worden, en de cirkel van geweld doorbroken kan worden.”

De grote steden willen vooral meer specifiek weten welke van de maatregelen die ze nemen, of kunnen nemen, het meest effectief zijn. De aantallen zijn enorm, zegt De Jonge. „Naar schatting 120.000 kinderen per jaar staan bloot aan mishandeling. Die hebben niet allemaal blauwe plekken, daar valt ook ernstige verwaarlozing onder, en het blootstaan aan geweld tussen ouders.” Er is al veel veranderd sinds de decentralisatie van de jeugdzorg in 2015, zegt De Jonge. „Vroeger was de hulpverlening erg verkokerd. Nu werken we met wijkteams, waarin alle specialismen aanwezig zijn.” In ieder geval in theorie zou dat moeten betekenen dat er meer naar de samenhang tussen problemen gekeken wordt, en er minder gemist wordt. Zolang er grote schulden zijn heeft het bestrijden van verslaving niet veel zin, bijvoorbeeld, en andersom.

Het vorige onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut heeft intussen al tot een aanpassing van de Rotterdamse aanpak geleid, zegt De Jonge. „Bij alle meldingen van geweld tussen de ouders worden ook de kinderen gescreend.” Er wordt gekeken of er mogelijk sprake is van trauma, en zo nodig behandeld.

Dat is een belangrijke aanpassing, zegt Steketee. Er zijn drie theorieën die kunnen verklaren waarom kinderen geweld doorgeven. Een is dat kinderen later doen wat ze thuis geleerd hebben. De tweede theorie is dat kinderen in een onveilige omgeving zich niet goed hechten. En kinderen die onveilig gehecht zijn, hebben later meer problemen met relaties en geweld. Een derde theorie, die vooral recent opgeld doet, is die van de posttraumatische stressstoornis (ptss). Kinderen die omringd zijn door geweld raken getraumatiseerd, dat bleek ook uit het vorige onderzoek: veel kinderen hadden symptomen van ptss. En ptss kan tot allerlei ernstige gedragsproblemen leiden.

Hulptrajecten

Het nieuwe onderzoek bestaat uit twee delen. Recent is een onderzoek gestart van een nieuwe groep gezinnen, dat gedurende een aantal jaar zal worden gevolgd. Dat is een bijzonder type onderzoek. Steketee: „Het voordeel van dit nieuwe cohort is dat je kunt kijken naar het effect van de maatregelen die nu genomen zijn. We nemen aan dat de geïntegreerde aanpak van de wijkteams, en de samenvoeging van de meldpunten voor huiselijk geweld en kindermishandeling, betekent dat de kinderen worden meegenomen in de hulptrajecten die worden aangeboden. Maar dat gaan we dus onderzoeken.”

Daarnaast wordt ook het ‘oude’ cohort de komende jaren verder gevolgd, om te kijken naar het effect van blootstelling aan geweld op de lange termijn, en de gevolgen van de ontvangen hulpverlening. „We willen weten waarop de hulpverlening gericht moet zijn als het gaat om doorbreken van intergenerationele overdracht van geweld”, zegt Steketee.

Of de rekening voor de gemeente niet veel hoger wordt als bij iedere huiselijk geweld-melding („iedere tien minuten komt er bij de politie een melding binnen in Nederland”, zegt De Jonge) ook naar de kinderen gekeken wordt – ook als alleen moeder blauwe plekken heeft? Dat mag natuurlijk nooit een factor zijn en ja, als je kinderen gaat screenen zal er meer aanbod moeten komen van traumabehandeling, zegt De Jonge. Maar dat betekent niet per se dat het totale bedrag omhoog gaat, zegt Steketee: „In gewelddadige gezinnen is heel veel hulp nodig. Je kunt misschien met veel minder toe als je kinderen tijdig de juiste hulp biedt.”

De Jonge: „Je zult altijd gezinnen houden die veel steun nodig hebben. Maar dat betekent niet dat we ons niet moeten afvragen: is de steun wel effectief? We weten dat we de trend nog niet hebben kunnen keren. En de beste vorm van preventie is het doorbreken van doorgeven van geweld van generatie op generatie.”

Wat Steketee zichtbaar heeft geraakt, uit het eerdere onderzoek, was hoe verlaten de kinderen uit gewelddadige gezinnen zich voelen. „Uit interviews met de kinderen blijkt dat ze heel erg teleurgesteld zijn dat niemand heeft ingegrepen. Er kwamen allerlei hulpverleners over de vloer, op school waren er signalen, maar niemand hielp ze. Kinderen zeggen in die gesprekken: ik wou dat iemand me gevraagd had hoe het met míj ging. Een leraar, een hulpverlener: praat met me!”