‘Eten doe ik hier met een schuldgevoel’

Syrië Khaled Salhani vluchtte uit Syrië en woont nu in Nederland. Het valt hem zwaar het nieuws uit zijn geboorteland te volgen. „Ik moet ervan huilen. Letterlijk.”

„Als ik foto’s van kinderen zie in de straten van Aleppo, skeletten zijn het bijna, ze sterven van de honger, dan voel ik me schuldig dat ik hier genoeg te eten heb. Ik ontbijt en dineer met een schuldgevoel.”

Khaled Salhani (30) woont niet langer in Syrië, maar in Nederland. In Hilversum om precies te zijn: binnen twee weken betrekt hij er zijn eigen woning. Hij vluchtte anderhalf jaar geleden uit Syrië, en eerder dit jaar kende Nederland hem een verblijfsstatus toe. Tegen NRC vertelt hij – in het Engels – over de impact die het nieuws uit Aleppo op hem heeft.

„Ik volg het nieuws intensiever dan ik eerder deed. Zelf kom ik uit Damascus, in Aleppo ken ik niemand. Maar het nieuws over die stad en over wat er in de rest van het land gebeurt, is nu zo verontrustend dat ik er niet aan ontkom. Het nieuws is gewoon overal, je hoeft er niet eens actief naar op zoek te gaan.

„Dat westerse media juist nu weer volop aandacht besteden aan de oorlog, vind ik begrijpelijk. De executies op de straten, de bommen, de honger, het is verschrikkelijk. Online staan video’s van gerichte beschietingen op burgers. Ik zie die filmpjes staan, en klik ze opzettelijk niet aan. Ik wil voorkomen dat ik aan dat soort beelden ga wennen. Wat ik al lezend aan nieuws binnenkrijg, is al meer dan genoeg. Ik moet ervan huilen. Ik bedoel het letterlijk: ik barst deze dagen soms in tranen uit. Gisteren nog, toen ik aan de telefoon met een Syrische vriend in Dubai zat te praten over wat er in ons land gebeurt.

Wat ik erg vind, is dat de wereld alleen maar toekijkt. Daar kan ik met mijn hoofd niet bij. Al jaren spreekt de internationale gemeenschap over het aanwijzen van ‘safe havens’ in Syrië, waar alle vluchtende burgers terecht kunnen – misschien ergens in het noorden, dichtbij Turkije. Maar er gebeurt niets.

„Ook ikzelf voel me machteloos. Je zou willen dat je íéts kon doen om te helpen. En dan bedoel ik niet: partij kiezen in de oorlog en strijders helpen. Ik bedoel: mensen helpen. Baby’s, kinderen, ouderen. Ik blijf hopen dat ik láter iets voor de mensen daar kan doen. Geld inzamelen, liefdadigheid, ik weet niet precies wat.

„Toegeven dat ik ook echt machteloos bén, wil ik niet. Wat ik nu doe – een soort compensatie – is dat ik Syriërs help die, net als ik, als asielzoeker naar Nederland zijn gekomen. Die drang om te helpen komt puur door de situatie in Syrië nu. Ik was dat helemaal niet van plan. Ik had me juist voorgenomen me deze maanden te richten op het leren van Nederlands en het klussen aan mijn woning hier.

„Er woont hier in Hilversum bijvoorbeeld een man uit Aleppo. Hij is half doof, spreekt geen Engels en is niet enorm goed opgeleid. Hij heeft heel veel hulp nodig om zijn weg in Nederland te vinden. Dat valt extra op omdat hij nu op zichzelf woont. In het asielzoekerscentrum werd je omringd door lotgenoten, en was hulp nooit ver weg. Ik help hem met dingen als een koelkast kopen. In de winkel vertaal ik wat hij zegt. En ik probeer via vrijwilligers die ik hier hebben leren kennen, Nederlandse les voor hem te regelen.

„Als ik eerlijk ben: ja, het maakt uit dat hij uit Aleppo komt. Als hij uit Damascus was gekomen, was mijn drang om te helpen denk ik minder groot geweest. Ik wil iets doen voor Aleppo. Het is niet zo dat ik enorme gesprekken met hem voer. Hij belt me voor praktische dingen, een paar keer per week. Over zijn familie in Aleppo praat hij niet. En ik begin er ook niet over. Dat kan ik gewoon niet aan.”