Recensie

De memoires van socioloog Joop Goudsblom zijn een verademing

Het ligt aan Norbert Elias dat socioloog Goudsblom niet voor de literatuur koos. In zijn memoires noteert en betwijfelt hij herinneringen, en dat levert mooie stukken zelfkritiek op.

Tekening Paul van der Steen

Aan het eind van het jaar waarin de feiten gruwelijk in de verdrukking kwamen, zijn de memoires van socioloog Joop Goudsblom een verademing. Onze televisietoestellen en timelines worden overspoeld door betogen waarin de feiten volledig instrumenteel zijn geworden. In het beste geval ondergeschikt aan de opinie van de spreker. In het slechtste geval zijn die feiten verzonnen.

Wacht eens even.

Verzonnen feiten? Dat zou J. Goudsblom (1932) nou nooit opschrijven. Want een feit ontleent zijn feitelijkheid juist aan zijn niet-verzonnenheid. Dus zou Goudsblom een ander woord kiezen: hij is een wetenschapper met het taalgevoel van een dichter. Dat bleek al nadrukkelijk uit de bundel versjes en aforismen Pasmunt, waarmee hij in 1958 debuteerde – en die later uitgebreid werd herdrukt als Reserves.

Het nu verschenen, tot 1968 lopende, eerste deel van Goudsbloms herinneringen, Geleerd, ademt dezelfde ingehouden precisie. Die kenmerkt trouwens ook het wetenschappelijke werk van Goudsblom, waarvan Vuur en beschaving (1992) klassiek is geworden.

Ooit schreef Goudsblom dat het bij een tachtigjarige de vraag is of hij meer lijkt ‘op degeen die hij was toen hij twintig was of op andere tachtigjarigen?’ Hij voegde daaraan toe, tussen haakjes: ‘Hoe minder goed je de persoon in kwestie kent, des te makkelijker wordt het antwoord.’

Meisjes

Dat laatste lijkt hij ook tot leidraad van Geleerd te hebben gemaakt. Hij vertelt niet alleen wat hij zich herinnert, maar bevraagt en betwijfelt die herinneringen meteen weer. Tekenend is de beginscène van het boek, over hoe hij als peuter, achterop de fiets van zijn moeder, een liedje zong. Ze passeerden een groep meisjes, van wie er eentje opmerkte: ‘Moet je dat jongetje horen zingen.’ Het miste zijn uitwerking niet. Hij schaamde zich en hield terstond op met zingen. Goudsblom weet niet waarom hij zo schuchter reageerde en stelt zich even voor hoe het zou zijn geweest als hij vrolijk ‘vind je het mooi’ naar het meisje had geroepen. ‘Dit had het begin kunnen zijn van een heel ander leven, minder schuchter, dapperder, vrijmoediger. Maar de wijzer geworden ik die dit nu constateert kan het jongetje van toen niet meer bereiken om het hem te vertellen. Het jongetje zal zijn redenen hebben gehad om zó te reageren, bedeesd, in een schulp van schaamte.’

De meeste autobiografieën zouden hier expliciet een verhaal van maken. Speculeren waar de bedeesdheid vandaan kwam, deze verklaren en zichzelf rechtvaardigen. Daarvan houdt Goudsblom zich verre. Hij zet zijn herinneringen op een rij en zoekt soms eens iets op in een oude brief of een dagboek – zich zéér bewust van de bedrieglijkheid van het geheugen.

Het levert mooie stukken zelfkritiek op. Zo vertelde Goudsblom ooit dat hij – op dat moment beursstudent in de VS – verdwaalde in de New-Yorkse wijk Harlem en daar op een haar na werd ontvoerd door mannen die hem een busje in probeerden te trekken. Hij vond in zijn archief twee versies van zijn sterke verhaal, die in details van elkaar verschilden. Zo wilde in de ene versie de buschauffeur zijn biljet van vijf dollar niet wisselen en ging het in de andere om een briefje van tien. Waarop Goudsblom de authenticiteit van de hele bijna-ontvoering in twijfel trekt: op zijn ‘herinnering’ vertrouwt hij nog wel het minst.

Opsmukloos

Dat werkt vooral in de eerste tweehonderd pagina’s van Geleerd – als de bronnen schaars zijn – heel goed. Daarin vertelt Goudsblom opsmukloos (‘Zo ben ik de hongerwinter doorgekomen. Naïef en ongeschonden’) en met terloopse tijdsbeelden hoe hij opgroeide als enig kind in de middenklasse in Krommenie. Een bleu jongetje, van het soort dat door andere jongens naar de overkant van de straat wordt geroepen. Als hij dan voor George Noordemann (zo heten dat soort jongens) staat, zegt deze pesterig: ‘Als je was doorgelopen was je verder geweest.’

Joop, de jongste van de klas, is eindeloos verliefd, maar zelden moedig genoeg om dat aan de meisjes te laten merken. Een kind dat thuis in een schrift eindeloze lijstjes van van alles en nog wat bijhield – inclusief een voetbalcompetitie met gefingeerde uitslagen. Ook interesseert hij zich al vroeg voor de geschiedenis van de plaatselijke molens, waarover hij publiceert in de Zaanse pers. Hij trekt op zijn vijftiende naar het archief in Haarlem, waar hij aanvankelijk om zijn leeftijd wordt geweigerd, maar uiteindelijk toch binnen mag. ‘Herfstvacantie R.A.H. (Donderdag en Zaterdag)’ schreef hij ‘met kanjers van letters’ in zijn agenda. Goudsblom, nu: ‘De drie hoofdletters vormden niet de initialen van een door mij aanbeden meisje, het was de afkorting voor Rijks Archief Haarlem.’

Dit had het begin kunnen zijn van een minder schuchter en dapperder leven

Als lezer begint het je te dagen dat we met een bijzondere jongen van doen hebben. En dat blijft niet onopgemerkt. Na het winnen van een opstelwedstrijd mag de zestienjarige Joop twee maanden naar Engeland. Op zijn gymnasium-examen volgt een beurs om een jaar in de VS te studeren. Zelf schrijft hij: ‘Alle talent begint met een talent voor imitatie. Een enkeling weet vanuit de imitatie te komen tot iets oorspronkelijks. De meesten blijven steken in variaties op het origineel. Zo ook ik.’

Dat kun je zien als valse bescheidenheid, maar veel meer is het een droge observatie, een verklaring van het verdere verloop van Goudsbloms leven. Tijdens zijn studie sociale psychologie in Amsterdam raakte hij verslingerd aan het werk van Menno ter Braak, werd hij redacteur van het tijdschrift Propria cures (waar hij de nieuweling Frits Bolkestein als ‘te conventioneel’ na een paar maanden wegstuurde).

Later was hij mede-oprichter van het tijdschrift Tirade. Een literaire loopbaan lag voor de hand, zoals ook zijn collega’s Renate Rubinstein, Aad Nuis en Hugo Brandt Corstius die kregen. Maar het kwam er niet van. Goudsblom raakte gegrepen door de sociologie en ontmoette Norbert Elias, die in Über den Prozeß der Zivilisation precies het soort processen beschreef dat hem interesseerde.

Bergen Belsen

De rest is niet alleen persoonlijke geschiedenis, maar ook sociologie-geschiedenis. Goudsblom koos uiteindelijk voor een promotie (Nihilisme en Cultuur) en in het verlengde daarvan voor een baan aan de universiteit. Hij was inmiddels getrouwd met de sociologe Maria Oestreicher (1936-2009). Heel invoelbaar beschrijft hij hoe hij zich pas geleidelijk de oorlogsgeschiedenis van haar familie realiseert – na 25 jaar valt eerst het woord ‘vermoord’ in relatie tot Maria’s ouders. Daarvoor heette het ‘omgekomen’ kort na de bevrijding van Bergen-Belsen, ‘dat soms nog verder werd verzacht tot „niet teruggekomen”.’

De wetenschappelijke betrekking (de eerste jaren voerden hij en zijn collega’s bijzonder weinig uit, constateert hij nu) zou Goudsblom een glanzende wetenschappelijke carrière opleveren. Al blijft er na lezing van deze uitgesproken precieze en op een kalme manier zeer literaire memoires toch een vraag hangen: wat was er gebeurd als Joop Goudsblom meer risico had genomen en zich had laten verleiden tot een onzeker schrijversbestaan?