De Mercedes GLC biedt niks nieuws

De Mercedes GLC is identiek aan de GLE. Hoe je hem ook noemt, een sportwagen wordt hij nooit, zegt .

Kijkend naar de Mercedes GLC Coupé verzonk ik in obstinate mijmeringen over de verschillen en overeenkomsten tussen auto’s en spijkerbroeken. De overeenkomst is dat ze behoren tot de klasse van de modeartikelen, terwijl ze in beginsel niet die functie hadden. De broek begon zijn carrière immers als beschavingsoffensief tegen de naaktheid, de auto als het medicijn tegen de haast, een noodzakelijk kwaad. Zoals ze nu zijn, lokkend met kleur en snit, vervullen ze zinloze wensen die ontluiken bij de aanblik; wow, G-Star.

Voor het opwekken van kooplust moet de vonk dus van het nuttige naar het aangename overslaan. Zo is de SUV ontstaan. Koper A slaat toe, want hij is groot en stoer, een fallisch evenbeeld. De fabrikant bouwt nog zo’n apparaat, nu een penismaat kleiner, en kijk aan: koper B hapt ook. Hij had hem niet nodig, maar de nutswaarde lijdt niet onder zijn lusten. Er kunnen óók mensen en koffers in. En daar was wéér een trend.

Het verschil is dat aan broeken minder te verpesten valt, en dat spijkergoed ongeacht maatvoering onder één vlag vaart. De kaskraker van Levi’s is altijd een 501, niet opeens 401 of 301 voor de minimensen. Voor de Duitsers, die hiërarchie met de paplepel hebben meegekregen, is grootte maatstaf voor een rangorde die ze met militaire precisie indexeren. Bij Mercedes krijgen een midsize-SUV en zijn grote broer daarom elk hun eigen type-aanduiding mee, al lijken ze als druppels water op elkaar. De een heet GLC, de ander GLE. Beide zijn er ook in coupéversies met schuin aflopend dak, die dan GLC Coupé en GLE Coupé worden genoemd. Design op maat.

Ornithologen

Maar dat is het nu juist. Van het coupékoppel rijd ik na de fullsize- nu de midsize-incarnatie en ik zweerdat ik ze nauwelijks uit elkaar kan houden. Ik zie dezelfde 501. Zelfde achterlichten, zelfde silhouet met ridicuul duikende daklijn, overeenkomende dashboards met dezelfde klokken en het ontsierende, half zwevende flatscreen voor de multimediafuncties die Mercedes pas in de nieuwe E- en S-klasse netjes in het instrumentenpaneel heeft geïntegreerd. Voor het determineren van de microscopische verschillen moet je in close reading getrainde vliegtuigspotters of ornithologen inhuren. Die zouden hopelijk zien dat het chroomlijntje achterop de GLE over de volle breedte van de achterklep is getrokken en bij de GLC alleen boven de achterlichten zweeft. De GLC Coupé is ‘de sportwagen onder de midsize SUVs’, de grotere GLE Coupé ‘het meest expressieve en sportieve lid’ van de SUV-familie. Dan zou het met de dikste vechtjas van de twee nog ruiger fuiven moeten zijn. Ik heb er niets van gemerkt. Hij is alleen maar iets meer gelijk dan de ander.

Zelfs met zijn trendvolgende en bagage plettende coupéprofiel wordt een SUV nooit een sportwagen. Mijn GLC 250d in AMG-uitmonstering – 19 inch velgen, sportief bedoelde in- en exterieuraccenten – blijft met zijn meer dan 200 pk sterke viercilinder diesel die gemoedelijke lobbes met het hoge zwaartepunt dat hem in bochten altijd parten speelt. Wel laat hij zich makkelijker dirigeren dan de GLE, die je op klaverbladen met nerveus makende stuurcorrecties in het spoor moet houden. Bij de kleine lijken stuurinrichting en onderstel beter afgestemd op het nog steeds aanzienlijke formaat van de auto. Dat mag je winst noemen.

De koper van de GLC heeft niet noodzakelijkerwijs een kleiner postuur of een beperkter budget dan de GLE-klant. De met een berg opties opgetuigde testwagen kost inclusief ‘Burmester Surround Soundsystem’ en ‘treeplanken in aluminiumlook met rubbernoppen’ bijna 90.000 euro. Voor dat geld had Jan Bovenmodaal een nog rianter aangeklede en ruimere ‘gewone’ GLC met dezelfde motor kunnen aanschaffen; voor de volumekrimp van de coupé verlangt Mercedes-Benz namelijk méér. Dan nog waren zowel zijn zinvolle behoeften, bagageruimte en zitcapaciteit bijvoorbeeld, als zijn zinloze geneugten verre van optimaal bevredigd.

Voor de derde weg, tip ik beleefd, blijf je in de Mercedes-showroom hangen. Je bestelt er een E-klasse 350d, met zijn zescilinder turbodiesel een van de fijnste en modernste Mercedessen überhaupt. Hij zou je met alle denkbare luxe negentig mille hebben gekost en de GLC op alle valide criteria hebben verslagen: meer comfort, meer hightech, betere prestaties. Niet dat de GLC een slechte auto is, verre van, maar ik begrijp hem niet. Zijn enige defensie is de mode. Martin Bril zaliger zou tsja zeggen. Wat rest mij anders?