Recensie

De vrouwen van Napoleon

Dames, spaar me uw parfum, s’il vous plaît

Voor de Franse keizer moesten vrouwen mooi zijn en mannen kunnen verleiden. Verder moesten ze zwijgen en hun plaats kennen, want ze waren tenslotte niet meer dan het eigendom van de man.

Joséphine de Beauharnais, in 1806 geschilderd door Henri-François Riesener Foto Leemage/Corbis/Getty Images

Een fruitboom, daar leek een vrouw nog wel het meeste op. Het was juni 1816 en Napoleon Bonaparte onderhield zich op het eiland Sint-Helena met Fanny Bertrand en Albine de Montholon, echtgenotes van twee getrouwen die hem in ballingschap waren gevolgd. Het gesprek ging over de verhoudingen tussen de seksen en Napoleon had daarover een duidelijke mening. ‘Waarom zou u zich eigenlijk beklagen, dames? Hebben wij niet erkend dat u een eigen ziel hebt, terwijl zelfs de filosofen daar nog aan twijfelen? En nu eist u dat we u zouden erkennen als gelijke van de man? Maar wat een dwaasheid toch!’ Hierna kwam de gevallen keizer met zijn horticulturele metafoor op de proppen. ‘De vrouw is ons eigendom, en niet omgekeerd, want de vrouw schenkt ons kinderen, en niet omgekeerd. Ze is dus eigendom zoals de fruitboom toebehoort aan de fruitboer.’ Napoleon (1769-1821) besloot zijn betoog met een duidelijke opdracht aan het duo: ‘Uw eigendom, dames, is uw schoonheid, uw gratie, uw verleidingskunst; uw verplichtingen, dat zijn de onderwerping en de afhankelijkheid.’

Opvallende taal voor een man die zich zijn hele leven een groot aanbidder toonde van het schone geslacht: hij deelde de lakens met twee echtgenotes en minstens zestig minnaressen. Over deze paradox – de vrouwenverachtende vrouwenliefhebber – gaat Het hart van Napoleon van Johan Op de Beeck (1957). Niet het slagveld maar de slaapkamer staat centraal in dit bijzonder smakelijke boek. Bloed vloeit er nauwelijks, tranen des te meer. Veelal van de vrouwen die Napoleon na bewezen diensten aan de kant zette – en soms ook van de grote veroveraar zelf.

Grote liefde

Joséphine de Beauharnais (1763-1814), dé grote liefde uit het leven van Napoleon, is de hoofdfiguur. De knappe Creoolse weduwe – haar man was vermoord tijdens de Terreur – leerde Napoleon kennen vlak voordat hij naam zou maken als militair genie. De onervaren en onbeholpen Corsicaan liep als een kwijlend hondje achter haar aan. Joséphine besloot hem pas te verleiden toen duidelijk werd dat hij het wel eens ver zou kunnen schoppen.

Ze trouwden in maart 1796, waarna Bonaparte onmiddellijk naar Italië vertrok om daar de Oostenrijkers te verslaan. Hij startte een correspondentie waar de verliefdheid vanaf spatte. Op 17 maart schreef hij: ‘Elk moment scheidt me verder van jou, mijn liefste, en elk ogenblik vermindert mijn kracht om die scheiding te verwerken.’ En op 30 maart: ‘Midden in de zakelijke beslommeringen, rijdend door de velden aan het hoofd van mijn soldaten, heeft alleen mijn liefste Joséphine een plaats in mijn hart, mijn geest en mijn gedachten.’ Helaas voor Bonaparte bleven zijn brieven grotendeels onbeantwoord. Joséphine hervatte in Parijs haar oude leven. Ze gaf zich over aan dezelfde geneugten als toen ze nog niet getrouwd was. Een zwierige huzaar op wie ze al een tijd een oogje had, bleek goed in staat Napoleons diensten in de sponde waar te nemen. Napoleon wist dit niet, maar was sowieso wanhopig over het feit dat zijn vrouw hem niet achterna wilde reizen en nauwelijks terugschreef.

Het zou duren tot de veldtocht naar Egypte van 1798-’99 voordat Napoleons vertrouwelingen eindelijk de moed konden opbrengen om hem te vertellen dat zijn vrouw hem bedroog. Zijn hart was in de loop der jaren al flink afgekoeld, maar nu ontstak hij in woede. Bij thuiskomst in Parijs volgde een verschrikkelijke scène, waarbij Joséphine’s kinderen uit haar eerste huwelijk na een nacht huilen hun stiefvader ervan weerhielden van hun moeder te scheiden.

De verhoudingen binnen de relatie waren hierna compleet veranderd. Bonaparte werd eerste consul en keizer; Joséphine had hém nu meer dan nodig dan hij haar. Napoleon voelde zich vrij om aan een lange stoet relaties te beginnen. Het liefst met vrouwen die niet te veel parfum gebruikten, wisten de dienaren die de gelukkigen toelieten tot zijn slaapvertrek. De keizer hield van de ‘natuurlijke geur’ van een vrouw.

Het huwelijk tussen Napoleon en Joséphine hield uiteindelijk geen stand, omdat ze hem geen troonopvolger wist te schenken. De keizer scheidde van haar en trouwde in 1809 met de Oostenrijkse Marie Louise, die wél een zoon wist te baren. Toen hij in 1814 voor het eerst troonsafstand moest toen, haastte ze zich echter terug naar Wenen, om zich nooit meer bij hem te voegen.

Anekdotes

Een beetje Napoleonliefhebber zal veel van de anekdotes in dit boek al kennen. Ikzelf ging bijvoorbeeld meteen op zoek naar de aanvaringen die Napoleon had met Madame de Staël (1766-1817), de bekende schrijfster. Legendarisch is de scène waarin zij zich met een laag uitgesneden decolleté aan hem presenteert en hij, na een blik naar binnen te hebben geworpen, bitst: ‘U heeft zeker zelf uw kinderen gevoed.’

Op de Beeck, die al een aantal boeken over Napoleon publiceerde, brengt dus weinig nieuws, en maakt ook hier en daar een foutje (zo beweert hij dat Madame de Staël geen kinderen kon krijgen, terwijl ze er vier had), maar dat kan de pret nauwelijks drukken. Zijn stijl is zo meeslepend dat je wilt blijven lezen.

De littekens die Joséphine hem had bezorgd, bepaalden, samen met zijn conservatieve moraal, voor de rest van zijn leven Napoleons houding ten opzichte van vrouwen. Alleen zijn Poolse minnares Marie Walewska, met wie hij een kind had, is hem waarschijnlijk ooit nog echt emotioneel nabij gekomen.

Albine de Montholon, die op Sint-Helena waarschijnlijk Napoleons laatste maîtresse was, vatte ’s keizers moeizame relatie met het vrouwelijk geslacht aldus samen: ‘In de vrouw zag hij een bijzonder goed gewapende vijand, die bovendien zeer gevaarlijk was omdat die vijand zich voor zwak uitgaf.’