Recensie

Star Wars zonder The Force

De Star Wars-reeks slaat wat halfslachtig nieuwe wegen in met ‘Rogue One’, dat min of meer op zichzelf staat.

Disney kocht in 2012 Lucasfilm met als doel het ‘galaxy far, far away’ zowel in de breedte als diepte te laten uitdijen. Naast een trilogie van vervolgfilms over het nageslacht van Darth Vader, Han Solo en prinses Leia, die vorig jaar sterk van start ging met The Force Awakens, plande de studio een serie spin-offs die zich afspelen in het rijke Star Wars-verleden.

Rogue One bijt de spits af: deze film beantwoordt de vraag wie de blauwdruk van de Death Star stal, de planetendoder waarmee het keizerlijk imperium hoopt de rebellen te verslaan. Held Luke Skywalker stak daar in de eerste Star Wars-film uit 1977 al een stokje voor door met hulp van de gewraakte blauwdruk een torpedo in de kernreactor van deze genocidale kanonneerboot te schieten.

Films als Rogue One staan op zich: met een cast zonder grote sterren mag hij ook qua toon meer avontuur zoeken. Dat was althans de theorie: halverwege lijkt Disney toch koudwatervrees te hebben gekregen. Gevolg is een vrij halfslachtig, rommelig verhaal vol abrupte wendingen, plotgaten en overbodige uitleg. Jammer, want de film is niet zonder verdiensten.

Lees verder na de trailer

Afgelopen zomer druppelden er geruchten naar de filmpers over de ‘te duistere toon’ van Rogue One – duister is in Hollywood uit de mode – die tot omvangrijke scriptwijzigingen en ‘reshoots’ noopte. Regisseur Gareth Edward (Monsters, Godzilla) deed een stap opzij om met scriptdokter Tony Gilroy in de montage te redden wat er te redden viel.

Rogue One werd daarna in de publiciteit met wel heel erg veel films vergeleken. Hij zou geïnspireerd zijn door The Battle of Algiers, het spijkerharde handboek voor een revolutie uit 1966. Door The Guns of Navarone (ruige militairen op zelfmoordmissie), Mission Impossible (geraffineerde spionnen breken in), Army of Shadows (Frans verzet versus nazi’s) en Zero Dark Thirty (jacht op Osama bin Laden).

Kan science fiction echte wetenschap voorspellen? Lees: Gelukkige gooi naar een piepkleine toekomst

Hongerige fans

Dat is nogal wat, zeker als de film ook nog genoeg Star Wars-DNA moet bevatten om de hongerige fans tevreden te houden. Want voor die fans is het al een hele handicap dat Rogue One speelt in een tijdvak zonder ‘The Force’, Jedi-ridders en lichtsabels. Al zijn er gelukkig wel bataljons Stormtroopers in witte glimharnassen die nooit een kogel tegenhouden, en wordt een handvol iconen uit 1977 uit de mottenballen gehaald. Zo giert, maait en wurgt slechterik Darth Vader er weer op los, herrijst Peter Cushing digitaal uit zijn graf als gouverneur Grand Moff Tarkin en heeft de digitaal verjongde prinses Leia (Carrie Fisher) een cameo.

Helaas lijken net iets te veel bezorgde scriptdokters en studiobazen zich bemoeid te hebben met het recombineren van al dat narratieve DNA. Dat levert doorgaans een schaap met zeven poten en drie koppen op, en Rogue One is geen uitzondering. Heldin is Jyn Erso (Felicity Jones). Haar papa, wetenschapper Galen (Mads Mikkelsen), bracht haar als klein meisje in veiligheid bij de rebel Saw (Forest Whitaker) toen hij gedwongen werd de Death Star te ontwerpen voor het Imperium. Stiefvader Saw liet Jyn als zestienjarige ook achter, hetgeen een bittere jongedame met verlatingsangst opleverde: soapverwikkelingen horen erbij in Star Wars.

Na een wervelwindtournee van zo’n half uur langs vijf planeten, manen en mijnkolonies gaat Jyn namens de gematigde rebellen op zoek naar haar stiefvader Saw, die informatie heeft over de Death Star. Saw voert inmiddels een persoonlijke jihad op woestijnmaan Yavin 4, een soort Midden-Oosten met het Imperium in de rol van Amerikanen. Door zijn extremisme is Saw in een halve Darth Vader veranderd, compleet met protheses, harnas en zuurstofmasker.

Terwijl Stormtroopers bij bosjes sneuvelen en halve planeten van de kaart worden geveegd (genocide hoort erbij in Star Wars) verzamelt Jyn een bende beminnelijke outlaws om zich heen, met als kern spion Cassius (Diego Luna) en mopper-robot K-2SO. Het doel: een zelfmoordmissie om in keizerlijk datacentrum Scafir de blauwdruk van de Death Star te stelen.

Grandioze veldslagen

Mocht dit helder klinken: Rogue One is dat niet altijd. Kernprobleem is een overdaad aan personages die onvoldoende uit de verf komen of te abrupte emotionele transformaties ondergaan. Zo gaat de mokkende Jyn opeens idealistische speeches afsteken: „Elke rebellie is gebouwd op hoop!” En wordt de ‘duistere toon’ nogal onhandig verzacht door jihadist Saw met zijn laatste adem „Save your dreams!” te laten piepen. Gewaagde aanzetjes – een homoseksuele romance tussen een baardige vechtersbaas en een blinde kungfu-monnik – worden veel te halfslachtig doorgezet. Het mondt uit in een al te vertrouwde Star Wars-finale, met grandioze veldslagen op de grond en in de ruimte, terwijl Jyn en haar outlaws harde schijven zoeken, antennes richten, hendels overhalen en krachtvelden uitschakelen.

Rogue One lijkt van een moreel genuanceerde en vrij onvoorspelbare sf-film wat lafjes in het vertrouwde Star Wars-sjabloon te zijn geperst. Zonde, want visueel is dit kleurrijke, realistisch ogende deel veruit het beste uit de reeks. Regisseur Gareth Edward merkte onlangs wrang op dat men na zijn debuut Monsters vroeg hoe hij zo’n goede sf-film voor zo weinig geld had gemaakt. „Het is moeilijker om met veel geld een goede film te maken”, wist hij nu. Met Disney in zijn nek is dat bij Rogue One niet helemaal gelukt.