Recht & Onrecht

Meer vervolging maakt de cocaïneberg niet kleiner

Er worden dit jaar recordvangsten cocaïne gedaan, maar er komt nog meer op de markt. Toch is meer opsporing en vervolging niet de oplossing. Volgens Ward Ferdinandusse in de Togacolumn is het tijd voor een ander drugsbeleid.

Dit jaar is al meer dan 12.000 kilo cocaïne onderschept in de Rotterdamse haven. De ene na de andere partij wordt in beslag genomen. Antwerpen doet het nog beter: daar werd dit jaar al meer dan 26.000 kilo afgevangen. Toch valt er weinig te juichen. Nog veel meer cocaïne komt namelijk wel het land binnen. Zoveel dat de straatprijs flink is gedaald.

De inbeslagname van zoveel coke is, volgens staatssecretaris Wiebes, “een groot succes.” Wiebes noemt 2016 zelfs “een goed coke-jaar, in de goede zin van het woord”. Want: “de jacht op de cocaïne is echt van het grootste belang.” De politievakbond en het Openbaar Ministerie zijn juist kritisch over de vraag of de douane wel voldoende blijft controleren in de haven. Hoe minder de douane doet, hoe meer op het bord komt te liggen van de politie.

Bestrijding beïnvloed aanbod niet

Tegelijkertijd moeten we realistisch zijn over het toekomstperspectief van meer controle en opsporing. Er is al heel lang zoveel vraag naar cocaïne en zoveel aanbod daarvan dat de strafrechtelijke bestrijding er van geen invloed heeft op de beschikbaarheid voor de gebruiker. Het aanbod van cocaïne is de afgelopen paar jaar ook nog eens sterk toegenomen. Dat heeft onder meer te maken met het feit dat de Verenigde Staten is gestopt met het bestrijden van de productie door het bespuiten van plantages in Zuid-Amerika. Wat de reden ook is, het aanbod is zo overweldigend groot dat het intensiveren van controle en opsporing ook in de toekomst geen effect gaat hebben op het aanbod op straat.

Ondertussen zijn de kosten van de strafrechtelijke bestrijding van cocaïne enorm. In Mexico zijn tussen 2007 en 2014 meer burgerdoden gevallen dan in Afghanistan en Irak bij elkaar. De drugskartels waren verantwoordelijk voor een groot deel daarvan. In Nederland worden vele corrupte contacten, wapens en liquidaties bekostigd met de opbrengsten van drugssmokkel. Als u zich afvraagt waar al die wapens en dure bakens uit het onderzoek 26Koper van betaald werden die laatst op het journaal te zien waren: de liquidatiegroep die ze verzameld had beschikte over een drugsadministratie van zo’n negentien miljoen euro.

Moet de cocaineberg prioriteit hebben?

Daarnaast is er het verdringingseffect in de opsporing: er worden ieder jaar opnieuw heel wat misdrijven in Nederland niet zo goed onderzocht als we zouden willen door gebrek aan opsporingscapaciteit. Ook diefstallen, afpersingen en geweldplegingen. Of het dan wel prioriteit moet hebben om een klein beetje extra van de grote cocaïneberg in beslag te nemen, is de vraag. Zo lang er meer dan genoeg cocaïne door het net glipt voor alle eindgebruikers maakt het voor de volksgezondheid niet uit of je één procent, tien procent of vijftig procent van de oorspronkelijke aanvoer in beslag neemt.

Zo lang de wetgever blijft kiezen voor criminalisering van drugs zullen douane, politie en Openbaar Ministerie zich moeten inzetten voor de handhaving daarvan en moeten zij daartoe ook de bijbehorende middelen krijgen. Anders hebben drugscriminelen helemaal vrij spel.

Maar persoonlijk vind ik het hoog tijd voor een serieuze afweging van kosten, opbrengsten en alternatieven op dit vlak. Zou het niet verstandiger zijn drugs uit het strafrecht te halen en te behandelen als een volksgezondheidsprobleem, zoals alcohol? Ons huidige drugsbeleid dient vooral de portemonnee van de crimineel en de werkgelegenheid in het strafrecht.

De Togacolumn wordt wekelijks geschreven door een rechter, een advocaat of een officier van justitie.

 

Blogger

Ward Ferdinandusse

Ward Ferdinandusse studeerde rechten in Amsterdam, waar hij promoveerde op de toepassing van internationaal strafrecht in nationale rechtbanken. Hij schreef voor het studentenblad Propria Cures en het voetbaltijdschrift Hard Gras. Ferdinandusse werkt als officier van justitie bij het Landelijk Parket in Rotterdam en als bijzonder hoogleraar Internationaal strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als officier was hij betrokken bij strafzaken, uitleveringsprocedures en onderzoeken naar internationale misdrijven zoals genocide, oorlogsmisdrijven, foltering, piraterij en (internationaal) terrorisme.