Column

De gevaarlijke kerstboom

Sinds wanneer kennen wij het woord kerstboom? Bij mijn weten sinds het begin van de 19de eeuw. Vanaf ongeveer 1830 lees je dat winkeliers hun etalage of winkel opsierden met een kerstboom. Vervolgens kwamen die bomen ook in woonkamers terecht, aanvankelijk alleen in de huizen van mensen met geld.

De afgelopen decennia was er een concurrentiestrijd tussen het sinterklaas- en kerstfeest. Die strijd leek in het voordeel van kerst uit te vallen, tot de discussie over Zwarte Piet begon. Nu lijkt het erop dat steeds meer mensen sinterklaas vieren uit weerstand tegen de Pietendiscussie.

In de 19de eeuw gingen er juist stemmen op om het sinterklaasfeest af te schaffen omdat het te paaps zou zijn. De Sint komt immers uit het katholieke Spanje. Zo schreef Eelco Verwijs in 1862: „Men zoekt het feest van den paapschen heilige af te schaffen en den Kerstboom op 25 December daarvoor aan de Nederlandsche jeugd terug te geven.”

Het sinterklaas- en kerstfeest werden soms ook vermengd tot sinterkerst. In 1858 klaagde een auteur over een nieuw verschijnsel bij snoepverkopers: een kerstboom met sinterklaas. „Een boompje met lichtjes en allerlei aardigheden opgesierd, alweer een nieuwe mode. ’t Is toch raar van die suikerbakkers; want een kersboompje moest niet op Sint-Nicolaas, maar op Kerstavond voor het licht gebracht worden.” Voor een dergelijke met „suikergoed, chocoladefiguren en fijn bakwerk” vol gehangen boom werd in advertenties soms het woord kerstfeestboom gebruikt.

Vanaf het begin van de 20ste eeuw tekenden gereformeerden steeds feller protest aan tegen de kerstboom. Met kerst diende de geboorte van Jezus te worden gevierd, een boom met lichtjes en cadeautjes zorgde slechts voor wereldse afleiding.

Die mening wordt het sterkst verwoord in Jachin, een tijdschrift dat werd uitgegeven door de Gereformeerde Zondagsschoolvereniging. Jaarlijks gaf de boekbeoordelingscommissie van Jachin een verslag uit waarin alle zondagsschoolboekjes werden besproken. Die boekjes werden met kerst op de zondagsscholen uitgedeeld. Het was de commissie een doorn in het oog dat de kerstboom zo vaak een rol speelde in die boekjes.

In 1916 had Jachin er schoon genoeg van. „Ook in de boekjes die jaarlijks met het oog op de Kerstfeestviering der Zondagsscholen verschijnen”, klaagde de boekbeoordelingscommissie, „komt de Kerstboom al meer voor. Op menig plaatje ziet gij een lichtboom afgebeeld. Steeds hebben wij onomwonden uitgesproken, dat deze ons een sta-in-den-weg is. (…) Niet alleen in salons dringt de denneboom binnen, maar ook in de woning der eenvoudigen verovert hij zich een plaats. Menschen, die nooit ter kerk gaan, hebben op de Kerstdagen een boom met lichtjes en geschenken. Daaromheen zet zich dan de heele familie, vroolijk en blijde. Avond aan avond vermaakt men er zich mede.”

Jachin zag hierin een groot gevaar. „Wie nu meent, de feestviering door zulk een boom op te luisteren, vergist zich geheel. Die denneboom brengt veeleer een ernstig gevaar mede, om uw feest ten eenenmale te ontluisteren. Gij moogt er dan uitwendig hel-schitterenden glans bij hebben ontstoken, gij dooft echter daarmede allicht de innerlijke heerlijkheid eener rechte Kerstfeestviering.”

Het is maar dat u het weet: kerstbomen zijn niet alleen brandgevaarlijk, maar ook een gevaar voor uw innerlijke heerlijkheid.

Ewoud Sanders schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders