Verwante zielen (2)

De geestverwanten Peter van Straaten en Simon Carmiggelt dachten verschillend over het schrijftalent van de eerste. Carmiggelt prees Van Straaten niet alleen als tekenaar, maar ook als schrijver. Van Straaten reageerde sceptisch op dat compliment.

In een radio-interview in 1997 zei Van Straaten: „Tekenen is mijn talent. Schrijven, zoals ik, kan iedereen. Carmiggelt meent het misschien wel, maar ik ben het er niet mee eens. Ik teken beter dan ik schrijf. Het is voor mij een veel natuurlijker weg, schrijven vind ik een heel onnatuurlijke handeling.”

Ik begrijp wat Van Straaten bedoelde, ik zou zijn opmerkingen dan ook niet als valse bescheidenheid willen afdoen. Hij kon wel degelijk goed schrijven, maar het unieke talent dat hij als cartoonist had, miste hij als schrijver. Toch heb ik hem altijd met groot plezier gelezen, reden waarom ik op deze plek ook aan de schrijver Van Straaten graag een ode breng.

We zullen hem ons vooral herinneren als de schrijver van de bijna onafzienbare serie zedenschetsen – twaalf boekdelen tussen 1987 en 2000 – over Agnes, die tobberige, gescheiden vrouw die zo levensecht wordt beschreven in haar moeizame relaties met mannen. „Ze lag in een vreemd bed. Naast haar lag een roodharige man te slapen. Wie was dat? Ze deed haar ogen weer stijf dicht en probeerde de aanstormende paniek te bedwingen door rustig na te denken.”

Van Straaten heeft veel meer geschreven dan Agnes. In de jaren tachtig verschenen Leuk is anders en Luxe-verdriet en in 1990 Dames en heren, drie bundelingen met columnachtige, korte verhalen. Ze zijn soepel, losjes geschreven, in hun melancholieke lichtvoetigheid doen ze denken aan werk van auteurs als Remco Campert, Lévi Weemoedt en Hans Vervoort. Wat opvalt is dat hij weinig in de ik-trant schrijft, liever verschuilt hij zich, net als in zijn cartoons, in of achter zijn personages.

In een van zijn mooiste stukken, De waarheid uit Luxe-verdriet, schrijft hij wél direct over zichzelf. Hij is tien jaar oud, de oorlog is net voorbij en het gezin is met moeder Van Straaten teruggekeerd in hun gedeeltelijk afgebrande huis in Arnhem. Zijn moeder heeft gehoord dat een vrouw in de buurt het matrasje van Peter bezit. De vrouw wil het wel teruggeven mits Peter het matras als het zijne herkent.

Daar gaan ze, moeder en zoon. „Ik zag erg tegen deze onderneming op. Ik zou er, eerlijk gezegd, ook nu nog erg tegen opzien. […] ‘En je laat je niks wijsmaken hoor’, zei mijn moeder, ‘je zegt gewoon waar het op staat.’ Ze kende me. Ik was een heel makkelijk te intimideren ventje.”

De vrouw laat hun het matras zien en vraagt of het van hem is. „‘Ik weet het niet’, zei ik, ‘het zou kunnen.’ Weg matras, de vrouw laat hen honend uit: ‘Dag mevrouw! Leuk geprobeerd!’” Hij loopt met zijn moeder naar huis en barst in snikken uit. „Waarom had ik nou niet even gelogen, dat het wel degelijk mijn matras was, om haar dat plezier te doen. Waarom moest ik zo nodig de waarheid zeggen?”

Ze hadden er nooit meer over gepraat, schrijft hij aan het slot. Misschien geloofde hij niet in dit soort praten; in dat radio-interview zegt hij dat hij niets moet hebben van psychotherapie. Tekenen en schrijven, daarin kon hij alles kwijt wat hij kwijt wilde.