Commentaar

Een plan is nog geen daad

Moeten liquidaties eerst gepleegd worden voordat ze streng bestraft kunnen worden? Nee, natuurlijk. Maar is 8 jaar cel op het voorbereiden ervan streng genoeg? Dat hangt dus af van de betreffende daders en de vraag of ze het ook echt van plan waren. Dat kan noodzakelijkerwijs niemand weten – tot ze het doen, of toch net iets anders, of helemaal niet.

Het Openbaar Ministerie opende gisteren de discussie in deze krant over de strafmaat bij voorbereidingshandelingen en de eisen die de rechter daaraan mag stellen. Die mag best wat hoger, c.q. dat mag best wat makkelijker worden aangenomen, aldus het Openbaar Ministerie. Aanleiding is een geruchtmakende zaak waarin de rechter straffen tot acht jaar oplegde aan verdachten die een professionele criminele organisatie vormden met een wapenvoorraad, snelle auto’s en de kennelijke bedoeling huurmoorden te plegen. Alleen wilde de rechtbank dat laatste niet in concrete gevallen aannemen, terwijl het OM dat wel bewezen vond.

De rechtbank heeft daarin de sterkste argumenten. Met wapens (en snelle auto’s) kun je iemand liquideren, maar je kunt ’m ook ontvoeren, gijzelen, verwonden of gewoon doorrijden. Het OM eiste straffen van 14 tot 17 jaar. De uiteindelijk hoogste opgelegde straf van 8 jaar cel deed officier van justitie Mous af als „een lachertje, voor criminelen die zich bezighouden met zware georganiseerde misdaad als liquidaties”. Dat is uiteraard een subjectief oordeel – het kan waar zijn, maar ook niet, afhankelijk van de persoon die het betreft.

Aangezien hoger beroep nog volgt, is het vroeg om al publiekelijk voor een wetswijziging te pleiten. Veel vergelijkbare zaken waren er nog niet. Artikel 46 Wetboek van Strafrecht luidt nu dat voorbereiding van een misdrijf strafbaar is „wanneer de dader opzettelijk voorwerpen of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft of voorhanden heeft”. Dus niet van ‘een’ misdrijf, maar van die specifieke aanslag op die bepaalde persoon.

Dat is een verstandige inperking, die een antwoord vormt op de bredere verleiding in de rechtspleging om plannen, kwade gedachten en dubieuze voorbereidingen even ernstig te gaan vinden als de uitvoering ervan. Die tendens bestaat – met name bij het voorkomen van terreur doemen contouren van een ‘bedoelingenstrafrecht’ op. Strafrecht, niet meer als uiterste middel, maar als bestuurlijk preventief instrument, waarin (radicale) uitingen of gedrag snel even zwaar worden gewogen als de aanslagen zelf. Dat is geen goede ontwikkeling. Feiten zijn pas feiten als ze zijn gepleegd, of met voldoende nauwkeurigheid concreet zijn voorbereid.