De waterwerkers zijn gedoemd tot verlies

Maritieme sector

Maritieme bedrijven lijden onder de lage olieprijs: grote projecten worden afgeblazen of uitgesteld. Maar baggeraar Van den Herik in Sliedrecht doet het goed – nog wel, zegt directeur Isolde Struijk.

Er komen de laatste tijd „echt veel meer” sollicitatiebrieven binnen bij Isolde Struijk, directeur van baggeraar Van den Herik in Sliedrecht. Logisch, de crisis in de scheepsbouw- en offshoresector is dieper en langer dan zij in decennia is geweest, en het einde is nog niet in zicht. De malaise is door de hele keten van scheepsbouwers, installatiebouwers, bodemonderzoekers en onderhoudswerven voelbaar. Kijk wat er om haar heen gebeurt.

Driehonderd meter verderop – ze kan het vanaf de eigen werf zien – ligt aan de andere kant van de haven de grote werf van IHC. Bij die scheepsbouwer verdwijnen weer 425 banen. Die komen bovenop het vorig jaar aangekondigde ontslag van 1.500 vaste krachten en flexwerkers.

Een stukje verder, vijf kilometer de dijk af, zit Boskalis. De internationale baggeraar kondigde deze zomer aan 24 schepen uit de vaart te nemen en 650 banen te schrappen, waarvan 150 in Nederland.

Achttien kilometer rijden, naar Heerema in Zwijndrecht. Vorige maand maakte het bedrijf bekend dat de tak die offshore-installaties bouwt tweederde van z’n 770 vaste krachten gaat ontslaan, van wie een groot deel in Nederland.

We tellen door. 35 kilometer verderop zit SBM Offshore in Schiedam. In augustus kondigde de maritiem dienstverlener aan nog eens 250 banen te schrappen. Er moesten afgelopen twee jaar wereldwijd al duizenden mensen weg. Bij de kleinere concurrent Huisman, die de kade met SBM deelt, gaan dit jaar ook nog honderd banen verdwijnen, vooral op het hoofdkantoor in Schiedam.

En 45 kilometer rijden vanuit Sliedrecht schrapt onderhoudswerf Keppel Verolme in Rotterdam ook bijna honderd van de 350 banen. Het is wachten op wat scheepsbouwer Damen (16 kilometer afstand) en baggeraar Van Oord (25 kilometer) gaan doen, ze hebben al zware tijden aangekondigd.

Werkzoekenden genoeg dus die iets weten van baggeren en boten en varen. Maar Struijk verwacht niet dat zij hun de komende jaren veel te bieden heeft. Het bedrijf dat haar opa begon draait goed. Maar de crisis zal aan Van den Herik niet voorbijgaan.

Kiezen voor het zware werk

Dat die mensen bij haar aankloppen, vindt Struijk niet gek. Wie eenmaal voor water heeft gekozen, gaat er niet meer uit weg. Ja, verantwoordelijkheid dragen voor de Pampers bij Procter&Gamble kan „heel uitdagend” zijn, maar Struijk kiest zelf ook liever voor het zware werk. Voor klei en zand en golven, voor stranden opspuiten, dijken verstevigen, kribben versterken, voor het uitdiepen van de Waal en de IJssel. Voordat ze op kantoor kwam, liet haar vader haar eerst met de rijswerkers meelopen: wilgentenen sjouwen en met de hand matten voor de rivierbodem maken – zo gaat dat nog steeds. Toen wilden de steenzetters natuurlijk ook dat ze bij hen kwam stage lopen, maar dat was echt te zwaar.

Haar mannen doen stoer werk, vindt ze, met serieuze risico’s. Struijk is trots dat ze een slimme bomdetector op een boorkop hebben bedacht – Van den Herik heeft ook een explosievenopsporingstak – en een machine die razendsnel waterdoorlatend doek in een dijk graaft. En dat zonder aparte afdeling voor onderzoek en ontwikkeling („maar goed, ze hebben wel veel reistijd om in te denken.”). En ze is trots op de nieuwe, zuinige hopperzuiger Charlock die Van den Herik liet bouwen, al viel de prijs ondanks de malaise in de scheepsbouw wat tegen. „Dit is werk van belang. Het gaat om onze veiligheid.”

De baggeraar is met zo’n 175 mensen in vaste dienst en een omzet van 83 miljoen euro klein vergeleken met de baggerdivisies van Van Oord (2,6 miljard euro) en Boskalis (3,2 miljard euro), maar presteert redelijk goed. Dat ligt aan de aard van het werk. „Wij doen veel onderhoud. Havens en rivieren moeten diep genoeg blijven en oevers en kusten sterk genoeg. Dat werk blijft.”

Toch verwacht Van den Herik ook moeizame jaren, door diezelfde olieprijs. „Havens investeren bijvoorbeeld minder, dat merken we. Er is gewoon minder werk.” Struijk ziet daarnaast dat de grote concurrenten opeens inschrijven op opdrachten in Nederland waar ze eerder van wegbleven. „Ze willen hun spullen en mensen blijven inzetten. En ze schrijven scherper in.”  Maar goed, zegt ze ook, „je moet vertrouwen in de toekomst hebben.”

385.000 ontslagen

De olie- en gasindustrie is altijd cyclisch, maar deze crisis is wel héél lang en diep, zegt Ruud Liem van brancheorganisatie IRO voor offshore-toeleveranciers. „En we weten totaal niet hoe lang die nog duurt.” Grote projecten worden door de lage olieprijs massaal afgeblazen of uitgesteld. Daardoor is vrijwel alles met water – scheepsbouw, transport, offshore, overslag, bodemonderzoek – gedoemd tot verlies. Het maritieme cluster is immers sterk met elkaar vervlochten.

De bedrijven die bijna alleen de olie- en gasindustrie bedienen hebben het nu - logisch - het zwaarst, zegt Liem. „Huisman, SBM, Heerema, IHC.” De teller van het Amerikaanse adviesbureau Graves&Co, dat sinds half 2014 ontslagen wereldwijd in de olie en gas bijhoudt, stond deze zomer op 385.000.

Hans Walthie van de vakbond voor varend personeel Nautilus, wijst ook op „het slagveld” in de Noordzee, waar inmiddels honderden booreilanden leegstaan. „De wereldwijde economie trekt wel aan, maar de offshoresector niet. Die is na de financiële crisis nooit opgekrabbeld.”

En er is een tweede probleem dat de malaise verergert, zegt Walthie: het wereldwijde overschot aan vrachtschepen. „Er zijn afgelopen jaren heel veel containerschepen gebouwd in de veronderstelling dat het allemaal veel meer zou worden en er veel meer transport nodig zou zijn.” Dat is ook wel enigszins zo, maar de concurrentie onder scheepsbouwers en rederijen is inmiddels moordend en Nederlandse lonen worden te hoog.

Politici delen de zorgen. Begin deze maand nam de Tweede Kamer een motie van de ChristenUnie aan: scheepsbouwers krijgen in 2017 samen een subsidie van vijf miljoen euro voor duurzame scheepsbouw.

Leuk, maar vijf miljoen is niks meer dan „een gebaar voor de bühne”, reageerde vakbond FNV. Het zou nuttiger zijn als de overheid serieus zou investeren in deeltijd-WW, omscholing en het verschaffen van werk aan enkel de Nederlandse scheepswerven die níét werk „wegorganiseren” in „ongewenste flexconstructies” . FNV schrijft: „De overheid kijkt ernaar en ziet de banen wegvloeien naar andere landen en de orders teruglopen. [..] Het kan anders en het moet anders willen we de sector voor ons land behouden.”

Niet alles gaat overigens slecht in Nederland. „Een lichtpunt” is wind op zee, de bouw van windmolenparken in het water, zegt Walthie van Nautilus. Nederland gaat komende jaren vijf nieuwe parken aanleggen. „Van Oord en Boskalis gaan daar zwaar in investeren.”  En kijk naar een bedrijf als windmolenmastenbouwer Sif, dat deze maand nog indrukwekkende omzet- en winstcijfers publiceerde en uitbreiding aankondigde.

Er zijn meer lichtpuntjes: de cruisevaart groeit, inclusief bijbehorende bouw van luxe schepen, superluxe jachten verkopen goed. De lege platforms in de Noordzee moeten ook weer weggehaald. En onderhoud blijft.

Andere band met personeel

Daar rekent Isolde Struijk op. Ze kijkt zelf steeds vaker naar het buitenland voor klussen. Driekwart van het werk voert Van den Herik nog uit in Nederland. „Maar hier zijn de marges heel laag, maar 2 procent. Terwijl de risico’s heel hoog zijn.” Net als bij de bouwers op het vasteland hevelt opdrachtgever Rijkswaterstaat de laatste jaren meer van het ontwerpwerk, met bijbehorende risico’s, over naar baggeraars. Struijk: „In een aanbesteding moeten we nu al een prijs afgeven voor over vijf jaar en dus inschatten hoe een rivierbodem dan zal zijn. Dat is niet te doen, zeker niet met de verandering van het klimaat.” 

Van den Herik wil komende tijd graag uitbreiden in Polen, Duitsland en Frankrijk, waar de marges hoger zijn en de risico’s beter beheersbaar.

Wat ze de komende tijd niet wil, is vaste krachten ontslaan. „Het wordt een paar jaar lastig, maar je moet klaarstaan als de markt weer aantrekt. We gooien er niet zomaar vakmensen uit. Je hebt als familiebedrijf een andere band met je personeel.”