Wachten op de schoolbus

Flessenpost

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd naar Princeton, in de VS. Ze bericht wekelijks over wat haar opvalt.

llustratie Eliane Gerrits

Elke ochtend slingeren ze als een lang geel lint door het land, de schoolbussen. Op iedere hoek staan kinderen, vaak met hun ouders, in groepjes op ze te wachten.

Alle kinderen in Amerika die niet vlakbij hun school wonen, hebben recht op een gratis bus die hen naar school en weer thuis brengt. Van Palm Beach en Kansas City tot Princeton hebben ze dezelfde felle kleur geel, het zogenaamde National School Bus Chrome. Het schoolvervoer is een logistieke operatie van een ongekende omvang. De in totaal 480.000 bussen vervoeren elke dag 26 miljoen kinderen. Per dag leggen de bussen zo’n 10 miljoen kilometer af. Ze komen overal. Ook als een kind uit huis is geplaatst of een gezin wegens omstandigheden in een opvanghuis zit, worden kinderen naar hun eigen school gereden.

Als de bus stopt, wordt er een mechanisch rood stopbord uitgestoken. Je mag er onder geen beding voorbij rijden. Dat is maar goed ook. Regelmatig komt opeens nog een kind aanrennen, op ongestrikte schoenen en met een open rugzak waar van alles uitvalt.

Na het uitwuiven is er voor helikopterouders de schoolbus-tracker, een app waarop je je kind van minuut tot minuut kunt volgen. Kinderen van minder zenuwachtige ouders leren zelf hun probleem op te lossen. Vorige week klopte er een buurjongetje aan dat de bus had gemist en wiens ouders naar hun werk vertrokken waren. Hij vroeg beleefd of ik hem heel alsjeblieft naar school wilde brengen.

Van binnen zijn de bussen kaal met harde plastic banken. „Er rammelt van alles”, vertelt mijn dochter. „De chauffeur is altijd berechagrijnig en zit de hele rit te eten. De echt coole kinderen zitten achterin. De gewone in het midden. En de stille voorin.” Natuurlijk zit ze zelf altijd op de achterbank.

Maar niet vandaag. Nu ze haar oefenrijbewijs heeft, rijdt ze zelf naar school. Terwijl ik er verplicht naast zit, slalommen we door onze wijk. Ze zwaait uitvoerig naar haar buurtgenootjes die langs de kant van de weg staan te wachten. Eerst passeren we twee zusjes die figuren maken met een touwtje tussen hun handen. De kleintjes verderop zijn druk aan het stoeien, terwijl hun moeders hen angstvallig in de gaten houden. In de volgende straat staan jongens met grote sporttassen. Ze staren cool voor zich uit.

Op de terugweg rijd ik langs het nieuwe Russische buurmeisje en haar moeder. Het meisje, een jaar of zeven, en haar moeder zijn net verhuisd uit Moskou. Ze spreken nog geen woord Engels. Afgelopen weken, toen het door de Indian summer opvallend zacht weer was, zaten ze op het gras door een prentenboek te bladeren. Gisteren telden ze de ringen in de knoest van een omgezaagde eik. Vandaag, nu de eerste nachtvorst het gras zilver kleurt, dragen ze allebei dezelfde witte muts. Zo’n ronde, van pluizig bont. Ze doen me denken aan twee matroesjkapoppen.

Ik wacht terwijl de schoolbus stopt en het meisje instapt. De moeder zwaait haar uitbundig uit. Als de felgele bus wegrijdt zie ik door de achterruit haar grote witte bontmuts. De lange reis is begonnen. Op de achterbank.

Reacties naar pdejong@ias.edu