Verwante zielen (1)

De prozaschrijver in Peter van Straaten stond in de schaduw van de tekenaar. Dat is begrijpelijk bij een tekenaar met zoveel brille, maar dat neemt niet weg dat hij ook goede columns, kleine verhalen en een succesvolle feuilleton – Agnes – heeft geschreven.

Voor Van Straaten was het geschreven woord van groot belang, zijn eerste inspiratiebron was een schrijver, geen schilder. Het was Simon Carmiggelt. In mei 1987 interviewde ik afzonderlijk Van Straaten en Carmiggelt ter gelegenheid van het verschijnen van hun gemeenschappelijke boek Het literaire leven. Van Straaten vertelde me dat hij dankzij een leraar Engels op het gymnasium in Arnhem Honderd dwaasheden van Carmiggelt ging lezen. Vanaf toen was Carmiggelt voor hem een ‘heilig’ auteur.

Op de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam besloot Van Straaten geen kunstschilder, maar illustrator te worden. „Dat werd daar nogal ordinair gevonden. Mijn hoogste doel was: Carmiggelt illustreren. Het heeft nog heel wat jaren geduurd voor het zover was.” Ik vroeg hem of hij ook daarom tekenaar bij Het Parool, de krant van Carmiggelt, was geworden. „Dat had inderdaad voor 80 procent met Carmiggelt te maken”, zei hij, „al kende ik hem toen nog niet persoonlijk.”

Waren ze inmiddels vrienden geworden? „Nee”, zei hij, „vergeet niet dat er een leeftijdsverschil van 23 jaar is. […] Wij lijken in zoverre op elkaar dat wij beiden heel afstandelijk zijn. Simon schept ook afstand door zijn woordgebruik, die rare stadhuistaal soms. Tegen mij zegt hij wel: ‘Dag baasje’, ‘Dag kereltje’ of ‘Dag goede Peter’.”

Van Straaten voelde wel een soort lotsverbondenheid met Carmiggelt. „Ik heb het gevoel dat ik ontzettend op hem lijk, maar het kan ook best zijn dat ik willens en wetens op hem ben gaan lijken.” Misschien droeg hij daarom op de fotosessie voor het artikel dezelfde lange, beige regenjas als Carmiggelt.

Omgekeerd voelde Carmiggelt grote verwantschap met Van Straaten. In de inleiding bij Een zee van tijd, een bundeling van Carmiggelts columns en Van Straatens tekeningen uit de gelijknamige rubriek in Het Parool, schrijft Carmiggelt: „Waarom verschijnen we dan toch samen, onder één kop? Omdat Peter in zijn ‘zorgelijke grappen’ menselijke situaties bekijkt op een manier waarmee ik mij sterk verwant voel. Dat gevoel is bij hem wederkerig. We bijten elkaar dus niet, maar we vullen elkaar wel aan.”

Dat was in 1983. Wat Van Straaten toen nog niet wist, maar Carmiggelt wel, was dat zij een poosje dezelfde minnares hadden gedeeld: Renate Rubinstein. Ik las dat voor het eerst in de biografie van Carmiggelt door Henk van Gelder.

Hij citeerde daarin een interview uit 1997 waarin Van Straaten vertelde: „Jaren ervoor hadden Renate en ik zoiets als een kortstondige affaire gehad, die nogal ingewikkeld lag, want ik was getrouwd. Heel af en toe zocht ik haar nog wel eens op, maar op een goede dag [in 1980] vroeg ze me niet meer langs te komen want ze had een liaison met een getrouwde man en die vond het aangenamer wanneer ik wegbleef. Nooit heb ik vermoed dat dat Simon kon zijn.”

Het was voor Carmiggelt geen reden om in de jaren tachtig een samenwerking met Van Straaten uit de weg te gaan: eerst voor Een zee van tijd en vervolgens voor Het literaire leven.