‘De A was van Allah en de M van Mohammed’

Atheïsme Als student (29) in Afghanistan stelde hij steeds meer vragen bij de islam. Toen hij openlijk van zijn geloof af viel, was hij zijn leven niet meer zeker.

‘Vrienden heb ik nauwelijks meer”, zegt een 29-jarige Afghaan op de bank van zijn appartement in een flatgebouw in de Randstad. Het is de prijs, heeft hij zojuist uitgelegd, die hij heeft betaald voor het opgeven van zijn geloof in God en voor het feit dat hij gelovige moslims in zijn geboorteland, in Nederland en elders nog wel eens wil wijzen op ongerijmdheden in hun geloof.

Twee jaar geleden – hij was al in Nederland – joeg hij bijvoorbeeld veel moslims tegen zich in het harnas door zich op zijn blog af te vragen hoe het toch mogelijk was dat Allah, die immers volgens gelovigen almachtig is, toeliet dat een vijfjarige jongen door een Syrische jihadist werd vermoord. „Ik vond het moeilijk om in zo’n God te geloven en stelde hem daarom ter discussie. Waarom bent u er nooit wanneer we u nodig hebben?”

Tot zijn schrik ontdekte hij niet lang daarna dat de tekst op zijn blog – zonder zijn medeweten, laat staan toestemming – was overgenomen door een krant in Afghanistan. Het leidde tot een demonstratie in de hoofdstad Kabul en verschillende prominente Afghaanse fundamentalisten verklaarden vervolgens dat wie zoiets vreselijks over Allah durfde te publiceren slechts de doodstraf verdiende.

De uitgeverij van de krant besloot zijn burelen te sluiten en drie medewerkers namen de benen naar het buurland Pakistan. Sindsdien maakt hij zich nog grotere zorgen dan voorheen om zijn eigen familie in Afghanistan, ook al delen die zijn geloofsopvattingen niet. Zijn blog staakte hij.

Traditioneel milieu

Zijn ideeën over de islam ontstonden niet van de ene op de andere dag. Ze vloeiden voort uit een jeugd waarbij hij een geleidelijke overgang doormaakte vanuit een traditioneel Afghaans milieu naar een meer seculiere, door het Westen beïnvloede omgeving.

In zijn vroegste jaren leek hij eerder in de wieg gelegd voor een loopbaan als geestelijke. In Ghazni, de provinciestad in het Oosten van Afghanistan waar hij vandaan komt, was zijn grootvader van moeders kant een vooraanstaande geestelijke, een zogeheten pir.

Met grote vanzelfsprekend werd diens kleinzoon dan ook naar een lokale madrassah, een koranschool, gestuurd.

Als telg uit de plaatselijke elite volgde hij later een opleiding aan de universiteit van Kabul. Hij arriveerde in de hoofdstad in 2004, op een gunstig moment. Er heerste een relatief grote mate van vrijheid. Het bewind van de Talibaan was na 9/11 met hulp van de Amerikanen verjaagd uit de hoofdstad en het was er tamelijk rustig.

„Het was een heerlijke tijd, als ik er nu op terugkijk”, zegt hij. „Er ging een hele nieuwe wereld voor me open. Ik studeerde er rechten en politieke wetenschappen. Die faculteit was de meest seculiere van de hele universiteit. Er werd wel les gegeven over de shari’a maar ook over moderne opvattingen omtrent recht, staat en filosofie, waarin de mens centraal stond. Dat had een diepe invloed op me.”

Lees ook dit stuk over een gevluchte Afghaanse atheïst. Hij kreeg op religieuze gronden asiel in het Verenigd Koninkrijk: ‘Zeggen ‘ik ben atheïst’ is genoeg’

Als een schooljongen

Na verloop van tijd realiseerde hij zich dat hij niet meer zo religieus was. „Bij het gebed in de moskee voelde ik me steeds meer als een schooljongen. De voorgangers bij het gebed waren zelf niet erg opgeleid en ik kreeg het gevoel dat ik alleen maar geklets zat te reciteren.”

Na afronding van zijn studie ging hij, vervuld van de hoog gestemde idealen over democratie die hij bij zijn studie had opgedaan, werken voor de Afghaanse kiescommissie. Het werd een grote deceptie. Hij was getuige van de massale fraude, waarmee Hamid Karzai in 2009 tot president werd herkozen. „Ik was heel verbaasd dat westerse landen dit toestonden”, zegt hij. „Westerlingen zeiden vaak tegen ons: we begrijpen jullie bezwaren, maar Afghanen zijn anders. Ik vond dat heel paternalistisch. Ik verloor daardoor mijn vertrouwen in de gang van zaken. Democratie was op die grondslag slechts een mythe.”

Na een intermezzo bij de Amerikaanse hulporganisatie USAID en een vervolgstudie in Kirgizië keerde hij in 2011 terug in Kabul. Hij voelde zich gesterkt in zijn seculiere opvattingen. „Ik wilde het secularisme helpen verbreiden. Afghanistan is doordesemd van de islam en de religie heeft een hypnotiserende invloed op de mensen. Ik wilde vooral jonge mensen helpen zich daaraan te onttrekken.”

Diepe afkeer

Vooral de strikte vorm van de islam die de Pashtun, de grootste etnische groep in het land, de Afghanen probeerden op te leggen boezemde hij, zelf behorend tot de Tadzjiekse minderheid, een diepe afkeer in. Tot zijn ergernis kregen de Pashtun daarbij ook financiële en materiële steun van de Golf-Arabieren. „De Pashtun nemen de verzen van de Koran letterlijk. Ze interpreteren die niet, anders dan de Tadzjieken die dat wel doen.”

Het drong tot hem door dat er allerlei verschillende soorten islam zijn. „ Ik begon steeds meer te worstelen met mijn identiteit. Ik voelde me meer Tadzjiek dan Afghaan, meer Tadzjiek ook dan moslim.”

Op een particuliere universiteit in Kabul, de Dunya-universiteit, begon hij studenten hierover te onderwijzen. Zo vervreemdde hij steeds meer van zijn eigen, vertrouwde omgeving. „Wanneer je uit een religieuze familie komt, hebben mensen bepaalde verwachtingen van je. Maar door mijn ideeën en door wat ik deed werden vrienden en klasgenoten van vroeger achterdochtig. Ik voelde dat ik mensen om mij heen begon te verliezen. Ik kreeg ook waarschuwingen. ‘We hebben je artikelen gelezen’, zeiden ze.”

Ook in de relatie met zijn familie, die nog in Ghazni zat – waar zijn vader een drogisterij dreef – slopen spanningen. „Mijn vader, die ook les gaf in chemie en biologie, schrok erg van alle ophef over mijn seculiere pleidooien. Hij zei: ‘Ik stuurde je naar school om een opleiding te krijgen, niet om in moeilijkheden te raken. Hou je toch rustig.’

Hij wees op leeftijdgenoten van me die zich netjes aan de conventies hielden en al belangrijke politieke functies vervulden. Maar ik zei hem: dat kan ik niet doen, dat druist tegen mijn principes in.”

Een verdere complicatie was zijn huwelijk met een Tadzjiekse jonge vrouw uit de noordoostelijke provincie Badakhshan, die – voor iedereen zichtbaar – programma’s presenteerde bij het veel bekeken televisiestation Tolo. Terwijl hij de druk op hem voelde toenemen, kreeg hij het aanbod, met een beurs, een cursus gender studies te volgen in IJsland. Kort daarop kreeg zijn vrouw een stage bij Deutsche Welle, een tv-zender in Duitsland aangeboden.

Rechtbank onder een boom

In Ghazni zwol de kritiek tijdens hun verblijf in het buitenland aan. Schreef de traditie niet voor dat volwassen vrouwen zich niet in het openbaar vertonen en al helemaal niet zonder hun echtgenoot?

In een geïmproviseerde lokale rechtbank – onder een boom, zegt hij smalend – maakten aanhangers van de Talibaan hem en zijn vrouw uit voor ongelovigen. „Deze mensen vechten tegen ons, zeiden ze. Ze moeten worden gedood. Mijn vader vertelde mij dit. Hij sloot zijn drogisterijzaak en vertrok naar Kabul.”

Bij hem en en zijn vrouw sloeg de paniek toe. „We hadden allebei goede banen in Kabul, met een goed salaris. We spraken vanuit het buitenland met de ouders van zijn vrouw en anderen. Zij adviseerden ons in Europa te blijven. Wij hikten daar tegen aan. Het leek ons een nachtmerrie om in zo’n vluchtelingenkamp te moeten zitten”, zegt hij.

In 2011 was hij even in Nederland geweest. Het leek hem een mooi en prettig land. Op 12 november 2012 arriveerden ze in Nederland. Een week later vroegen ze asiel aan. „Ik voelde me vreselijk”, zegt hij. Pas na twee jaar en verschillende processen werd hun aanvraag gehonoreerd.

Inmiddels studeert hij culturele antropologie. In januari verzorgt hij een reeks colleges over mensenrechten. Op termijn ambieert hij een academische loopbaan in Nederland maar zo mogelijk ook weer in Afghanistan.

Zijn grootste wens blijft om het onderwijs in zijn geboorteland op seculiere leest te schoeien. „Toen ik als kind het alfabet moest leren, kreeg ik te horen dat de A van Allah was en de M van Mohammed”, vertelt hij. „Ik zou niets liever doen dan een boek voor kinderen schrijven waarin ze leren dat de A is van appel en de M van muis.”

Naschrift (30 mei 2017): Om redenen van veiligheid zijn de namen van de in dit verhaal genoemde Afghaan en zijn echtgenote uit dit stuk geschrapt. Die zijn wel bekend bij de redactie. [red.]