‘Ontwikkelingshulp heeft gefaald’

Paul Collier

Help arme landen aan grote, moderne bedrijven. Zo stop je de migrantenstroom uit Afrika en het Midden-Oosten, zegt econoom Paul Collier.

In het Jordaanse kamp Zaatari verblijven circa 90.000 vluchtelingen, onder wie veel Syriërs. Foto’s Ammar Awad / Reuters

Vorig jaar bezocht Paul Collier, hoogleraar economie en overheidsbeleid in Oxford het grootste vluchtelingenkamp van Jordanië. De toestand in dit kamp, Zaatari, viel hem mee. Materieel dan: iedereen had tenten en dekens.

Het grootste probleem was eerder dat 90.000 Syrische vluchtelingen zich dood verveelden. „Een van onze Jordaanse begeleiders vroeg of ik de King Abdullah-industriezone wilde zien. We reden tien minuten, en daar lag een immens park – negentig procent leeg. Jordanië heeft zoveel aan opvang uitgegeven, dat er niets overbleef voor de industriezone, behalve schulden. De oplossing was blinding obvious: we moeten hier werk naartoe brengen. Anders worden de vluchtelingen desperaat en komen ze naar Europa. Dat is slecht voor ons en slecht voor hen.”

Sindsdien beweegt Collier hemel en aarde om bedrijven uit Europese en andere industrielanden naar Jordanië te krijgen. En om een gunstig investeringsklimaat te scheppen. De EU is zover dat ze bedrijven tien jaar toegang tot de interne markt geeft voor producten die in Jordanië zijn gemaakt. De Wereldbank, waar Collier ooit directeur was, verstrekt eindelijk leningen aan Jordanië, zodat het de zone kan ontwikkelen – de bank heeft hiervoor de gulden regel doorbroken om niet te lenen aan middle income countries.

En nu heeft de Duitse regering Collier gevraagd om een grootscheeps plan te bedenken om migratie uit Afrika af te remmen. Dit plan wordt in 2017, als Duitsland de G20 voorzit, op een top gepresenteerd. Wat het precies inhoudt, kan Collier niet zeggen. Maar de bedoeling is dat ‘de G20 zich gaat inzetten voor de terugkeer van economische groei in Afrika’.

Zo moet Europa met migratie omgaan, zegt Collier, even in Wenen voor een lezing bij de Oostenrijkse Centrale Bank. „Zoals je een kind helpt, dat in een vijver valt en dreigt te verdrinken: je denkt niet na, je springt gewoon. Maar waaruit moet die redding bestaan, bij migranten en vluchtelingen? Helpt het hen, als Europa de deur wagenwijd openzet? Nee. En het helpt ons evenmin. We hebben de plicht hen te bevrijden van wanhoop, en te zorgen dat ze weer enigszins normaal kunnen leven. Die dingen bereik je niet met migratie, maar door te zorgen dat hun eigen landen die taak beter vervullen.”

Migranten zoeken de honingpot

Migranten reizen uit hoop op een waardig bestaan. Zij zoeken een pot honing. Vluchtelingen reizen uit vrees, en zoeken een veilige haven. Europese landen, zegt Collier, zijn honingpottenlanden, geen veiligehavenlanden. Verreweg de meeste vluchtelingen ter wereld komen terecht in Pakistan, Iran en andere emigratielanden. Min of meer veilig - meer niet. „De UNHCR zorgt voor tenten, dekens en andere humanitaire noden. Als wij VN-organisaties meer geld geven, wordt die nood beter geledigd. Maar daarna hebben vluchtelingen in Jordanië en elders werk nodig. Daar kunnen wij wél voor zorgen. Wij hebben bedrijven die het kunnen bieden.”

De Jordaanse regering was eerst sceptisch over Colliers plan. Vluchtelingen aan werk helpen terwijl veel Jordaniërs ook werkloos zijn, beviel hen niet. Daarom worden bedrijven die naar Zaatari komen (zoals softwareproducenten), verplicht 30 procent van alle banen aan Jordaniërs te geven en 70 procent aan de vluchtelingen.

Dat Europa vorig jaar zoveel Syrische vluchtelingen binnenliet, vindt Collier ondoordacht. De eerste smokkelboten vroegen 6.000 euro de man. Europa kreeg de vermogende, goedopgeleide middenklasse. Die mensen kunnen wat, maar zitten bijna allemaal duimen te draaien. Collier las een verslag over grote Duitse bedrijven met vluchtelingen in dienst. Aan kop ging Deutsche Post: 50 vluchtelingen. „Zo komen we er niet. En wellicht is de oorlog in Syrië snel voorbij. Dan zijn hoogopgeleiden nodig om overheidsdiensten en bedrijven er bovenop te krijgen. Ze moeten niet in Europa zitten.”

In Afrika geldt dezelfde logica. De groei was afgelopen jaar negatief: -1,6 procent. Geen wonder dat Afrikanen naar Europa willen, zegt Collier. Bedrijven investeren weinig in Afrika. Om politieke redenen, omdat de markt klein is, vanwege corruptie en slechte infrastructuur. „Dit is een noodgeval. Ontwikkelingshulp heeft niet gewerkt. Miljoenen mensen kunnen naar Europa komen. Daar is Afrika niet bij gebaat. Er zitten meer Soedanese dokters in Londen dan in Soedan. Wat heeft Soedan daaraan?”

Lage productiviteit

In Afrika is de productiviteit heel laag. Veel bedrijven hebben een paar medewerkers, hooguit. Om de productiviteit op te krikken zijn grotere, moderne bedrijven nodig, zegt Collier, en die komen nu niet. Hij denkt dat dit kan veranderen als de G20 Afrikaanse regeringen helpt om infrastructuur te verbeteren en subsidie aan pioniers te geven. „Zo doen Europese landen het zelf ook: laat pioniers het pad effenen, anderen volgen vanzelf. Intussen zorg jij als overheid voor wegen en internet.”

Wat Europa ook kan doen volgens Collier: Afrikanen studiebeurzen geven, zodat ze zich bekwamen om hun land te helpen. Ook kunnen legale migratiecontracten voor vijf jaar verstrekt worden, voor laaggeschoold werk. Door te rouleren laat je velen daarvan profiteren. „Als je ze invliegt, zullen ze de boot niet nemen.”

Volgens Collier is de deal met Turkije tot mislukken gedoemd. „Premier Erdogan deed vervelend tegen de vluchtelingen en kreeg 6 miljard van ons. Het duurde niet lang of andere landen zeiden: ‘Wij zetten vluchtelingen uit’. Dus schrijft Europa meer cheques. Mede daardoor wekken vluchtelingen geen compassie op bij ons, maar angst. Het wordt hoog tijd dat we de zaken weer in eigen hand nemen.”