Column

Met gestrekt been

Een droge snik is verdrietiger dan een natte snik. Daarom zou ik het geluid dat ik sommige PvdA-aanhangers vrijdagmiddag hoorde maken, eerder een droge snik willen noemen. Mijn vrouw hield zich kranig, maar toch was ook haar ontroering bijna tastbaar toen ze thuis haar partijleider Diederik Samsom met een verstarde lach op zijn gezicht de gang van de macht zag uitlopen.

Eerst was er op het podium nog die laatste omhelzing met Lodewijk Asscher geweest – misschien wel het moeilijkste moment voor alle partijleden. Samsom die met gesloten ogen zijn kale, nu weerloze hoofd tegen Asschers rechterschouder drukt, Asscher die hem met één hand omklemt en met de geopende andere hand een verontschuldigend gebaar maakt: hier sta ik, ik kon niet anders.

„Gaat het weer?” vroeg ik mijn vrouw toen alles achter de rug was. Samsom was haar favoriet geweest omdat hij politieke moed had getoond. „Ach ja”, herpakte ze zich, „we moeten verder, maar ik blijf het spijtig vinden. Hij had een beter lot verdiend. Nederland heeft meer aan hem te danken dan uit deze uitslag blijkt.”

„Voor jullie partij is het zo beter”, troostte ik „heus, met Samsom was het niet meer gelukt, hij had te weinig krediet bij de kiezers buiten de partij.” „We moeten nog maar afwachten of het met Asscher zoveel beter gaat”, zuchtte ze, „hij zal het heel moeilijk krijgen als vicepremier die vuile handen heeft gemaakt.”

Hier spreekt het Cohen-complex van het gemiddelde PvdA-lid: de angst dat de nieuwe, veelbelovende partijleider zal tegenvallen en opnieuw meer bestuurder dan politicus blijkt.

„Ik weet niet of Asscher de gewone man en vrouw zal aanspreken”, zei ze, „hij heeft iets afstandelijks. Samsom was destijds meer de jonge hond die je met al zijn bezieling het succes gunde.” „Onderschat Asscher niet”, zei ik, „hij kan fel en vilein zijn, dat zag je in de debatten met Samsom. Volgens mij krijgt de PvdA nu eindelijk een leider die Wilders met gelijke munt durft terug te betalen.” Ze trok een bedenkelijk gezicht. „Wat versta je onder gelijke munt? Toch niet dat ‘progressief patriottisme’ waar Asscher het over heeft?” „Nee”, zei ik, enigszins betrapt, „dat hoeft ook voor mij niet en ook niet die ‘trots op Nederland’ die hij van Rita Verdonk heeft geleend.” „Maar dát is juist Asscher”, riep ze uit, „een nogal moraliserende man die het graag over waarden heeft.” „Dat is één kant van hem”, gaf ik toe, „maar ik denk dat zijn stijl het grote verschil met zijn voorgangers wordt, zeker vergeleken met Cohen. Hij zal er bij Wilders met gestrekt been in durven…”

„Nee! Nee!” riep ze, „niet wéér dat vreselijke voetbalcliché. Politiek is geen potje voetbal.” „Ik wil maar zeggen: Asscher zal Wilders snoeihard van repliek dienen”, zei ik, „weet je nog hoe bang Wilders voor Eberhard van der Laan was? Mensen met een grote bek zijn alleen bang voor andere mensen met een grote bek.” Ze haalde half haar schouders op, nog niet helemaal overtuigd. „Het gaat niet alleen om het gevecht, maar ook om de inhoud”, zei ze. „Ik help het je hopen”, zei ik, „maar als je straks, om een blonde Limburger te citeren, aan de goede kant van de geschiedenis wilt staan, moet je nú de verkeerde kant aanpakken – anders doet die het met jou.”