Jetty van Zanen

Foto's Frank Ruiter

Jetty van Zanen stond haar zoon af: ‘Ik zou willen dat hij me erkent’

Jetty van Zanen (77) stond vierenveertig jaar geleden haar jongste zoon af ter adoptie. Ze verlangt nog alle dagen naar hem, maar ze heeft hem nooit meer mogen zien.

‘Ik was na een huwelijk van tien jaar aan het scheiden en ik kreeg een relatie met een man die veel ouder was dan ik. Ik ging bij hem wonen in Leersum, met mijn kinderen, twee jongetjes. De jongste was één en vroeg veel zorg, want hij had een schisis. Mensen noemen dat ook wel een hazenlip. Toen raakte ik opnieuw zwanger. De vader was er blij mee, maar ik niet, niet echt, daar was ons leven te ingewikkeld voor. Hij was ook gescheiden en hij had vier zoons. Moest ik abortus laten plegen? Ik wist het niet en bleef twijfelen, tot het te laat was.

„Ik was hoogzwanger toen ik inzag dat deze nieuwe relatie geen toekomst had. Maar ik had geen huis en geen werk, een kind dat veel in het ziekenhuis lag, en die dikke buik. Ik wilde terug naar Amsterdam, ik wist alleen niet hoe. Het was 1972 en in die tijd kreeg je ook niet zomaar een woning. Toen heeft mijn oudste zusje me geholpen, we mochten bij haar komen wonen in Wormerveer. Zij was daar adjunct-directrice van de huishoudschool. Zelf kwam ik van de kweekschool. Ik ben opgeleid tot lerares naaldvakken.

Waar ik geen rekening mee gehouden had: dat ik mijn kind na de bevalling niet eens zou mogen zien.

„Mijn zusje was de eerste tegen wie ik zei dat ik de baby na de geboorte wilde afstaan. Ik wist zeker dat ik geen goede moeder voor hem kon zijn. Hij zou bij andere ouders veel betere kansen hebben. En die vrouw, die zelf waarschijnlijk geen kinderen had kunnen krijgen, zou vreselijk gelukkig met hem zijn. Het leek me de meest logische oplossing. Zo zei ik het ook tegen de huisarts naar wie mijn zusje me gestuurd had, en tegen de maatschappelijk werksters van de FIOM [ooit de afkorting van Federatie van Instellingen voor de Ongehuwde Moeder en haar kind] bij wie ik vervolgens terechtkwam.

„Iedereen was vol begrip. Niemand deed een poging om me van mijn besluit af te houden. Ik was al 32 en zal een overtuigende indruk hebben gemaakt. Ze legden me uit wat de gang van zaken zou zijn. Ook in het Wilhelmina Gasthuis [nu het AMC], waar ik zou gaan bevallen, waren ze heel behulpzaam. Maar waar ik geen rekening mee gehouden had: dat ik mijn kind na de bevalling niet eens zou mogen zien. Er mocht geen enkele band ontstaan. Ik moest maar doen alsof het dood was.

Foto Frank Ruiter

„Na de geboorte werd mijn zoon – het was weer een jongen – meteen bij me weggehaald. Ze bonden mijn borsten af en reden me met bed en al naar de gang, want het zou te pijnlijk voor mij zijn om in een zaal vol moeders met hun pasgeboren baby’s te liggen. Ik was zo vreselijk verdrietig, zo vreselijk alleen. Mijn zusje, die bij de bevalling was geweest, was al weer naar huis, want ze moest werken, en ik lag daar maar, zonder kind. Ik had hem wel een naam mogen geven, Steven. Later kwam ik erachter dat mijn zusje een wiegje in huis had gehaald. Ze dacht: dat kan Jetty nooit, haar kind afstaan.

„Maar ik moest wel, ik zag nog steeds geen andere oplossing. Voor vertrek uit het ziekenhuis heb ik geëist dat ik één keer bij Steven mocht kijken. Bij wijze van hoge uitzondering werd het toegestaan. Er stonden vier mensen om me heen toen ze hem in mijn armen legden. De verpleegkundige, of misschien was het de gynaecoloog, vroeg of ik hem een flesje wilde geven. Ik voelde me zo verschrikkelijk opgelaten dat ik me niet eens meer kan herinneren of ik dat gedaan heb.

„Mijn leven kwam daarna weer min of meer op orde. Ik kon terug naar mijn oude huis in Amsterdam, mijn huwelijk leek zich te herstellen, en ik vond weer werk, op de administratie van een school. Later ben ik oppas geworden bij mensen thuis. De kinderen die ik mee heb helpen grootbrengen, drie meisjes, hebben me ongelooflijk veel vreugde gegeven. Ik fietste met ze door de stad, ik breide kleertjes voor ze, en voor hun poppen.

„Maar het verdriet om Steven werd op geen enkele manier minder. In de adoptieprocedure had ik gevraagd om eens per twee jaar een verslag te krijgen, hoe het met Steven ging, zodat ik zijn ontwikkeling op afstand kon volgen. Dat was niet gebruikelijk, maar het leek mij redelijk en de rechter had het me toegezegd. Het is drie keer gebeurd, via de FIOM, en in het laatste schreef de adoptiemoeder me dat ze er in het belang van haar zoon – zijn adoptieouders hebben hem een andere naam gegeven – niet mee zou doorgaan.”

Ze pakt de brieven erbij, keurig getypte A-viertjes, zonder één spelfout, en laat ze lezen. Ze zijn liefdevol en ontroerend. En hard. Uit de laatste, van 1982: ‘Tot op heden toonde […] geen enkele belangstelling voor zijn natuurlijke vader en moeder. Het lijkt ons niet juist dat wij bewust het initiatief nemen om die belangstelling te bevorderen. U kunt er evenwel van overtuigd zijn, dat áls […] wel iets meer over zijn achtergrond zou willen leren, wij hem daarin niet zullen tegenhouden.’

„Ze schreef me ook”, zegt Jetty van Zanen, „dat haar zoon bij zijn ontstaan nou eenmaal een stempeltje had meegekregen. Een stempeltje? Dat vind ik misschien wel het onverdraaglijkst van alles: dat ik gezien word als een moeder die iets slechts heeft gedaan. Een luie vrouw die geen verantwoordelijkheid wil nemen, een hoer misschien wel, een monster. En niet alleen ik, maar alle afstandsmoeders. Ik heb jarenlang in werkgroepen van de FIOM gezeten om begrip te kweken voor vrouwen die hun kind afstaan.”

Ze pakt de brief die ze in 1994 via de FIOM van haar zoon kreeg, nadat zij om contact had verzocht. Hij was 22 en schreef: ‘Er bestaat bij mij geen enkele behoefte om een dergelijk contact te leggen. […] Omdat ik niet in de toekomst kan kijken, kan ik niet zeggen of mijn reactie of gevoel ooit zullen veranderen.’ Tot nu toe is het daarbij gebleven.

Toen hij kleiner was, ben ik ook wel eens naar het huis van zijn ouders gegaan om door de heg naar hem te kijken.

Ze laat ook de foto’s van hem zien die haar twee andere zoons voor haar hebben gevonden op internet. Hetzelfde rossige haar als zijn moeder, dezelfde fijne gelaatstrekken.

„Hoe meer ik ontkend werd”, zegt ze, „hoe meer ik geobsedeerd raakte, want zo werkt het. Mijn zoons hadden uitgevonden waar Steven woonde, en op een dag ben ik daar met een vriend naartoe gereden. Ik heb een brief door de deur gedaan en we zijn blijven wachten tot hij thuiskwam. Op een gegeven moment zag ik hem lopen, ik herkende hem onmiddellijk. Hij deed de voordeur open, pakte de brief en even later zag ik hem voor het raam staan, met de brief in de hand. Dat is veertien jaar geleden. Dichter bij hem ben ik daarna nooit meer geweest. Toen hij kleiner was, ben ik ook wel eens naar het huis van zijn ouders gegaan om door de heg naar hem te kijken. En ik weet nog de keer dat er een schoolbus met kinderen uit de plaats waar hij opgroeide naar theater De Meervaart kwam. Ik ben gaan kijken, op een afstand, maar hij was er niet bij.”

Jetty van Zanen is nu 77 en sinds een jaar is ze bij een psychologe die haar helpt om alles wat er rondom haar derde zoon is gebeurd te verwerken. Op haar advies denkt ze erover om een videoboodschap te maken en die naar Stevens adoptiemoeder te sturen. Wat wil ze ermee bereiken? „Niet zoveel”, zegt ze. „Dat Steven weet wie ik ben en waarom ik gedaan heb wat ik heb gedaan. Dat ik geen slecht mens ben. Dat ik hem het leven heb gegeven en hem aan een andere moeder heb gegund. Ik hoef geen relatie met hem op te bouwen, dat is een illusie. Ik zou willen dat hij me erkent. Dan heb ik rust.”

Ze laat de talloze briefjes zien die ze in de loop van de jaren aan Steven heeft geschreven, met blauwe inkt, in een prachtig schooljuffrouwenhandschrift, op lindegroen papier. ‘Lieve Steven, ja, zo heet jij voor mij, want dat is de naam die ik je heb gegeven, mijn kind! Wat was ik blij met je en tegelijkertijd zo ontzettend verdrietig, want wat was het vreselijk moeilijk voor mij…’ Ze heeft ze nooit verstuurd.

    • Jannetje Koelewijn