Recensie

Hoe Nederland opeens tot bloei kwam

Johan Huizinga vond het een wonder dat de kleine Nederlandse Republiek in de zeventiende eeuw tot zo’n ongekende bloei kwam. Ook na hem is men zich blijven verbazen dat een onaanzienlijke uithoek van Europa razendsnel opklom tot een politieke, maar vooral economische en culturele grote mogendheid. Er is al veel over geschreven. In zijn handzame bundel eerder verschenen artikelen Lof der botheid, zet literair-historicus René van Stipriaan (1959) een aantal aspecten prettig op een rij.

Hij geeft een mooie indruk van die grote sprong voorwaarts. ‘Zo snel ging het in de Republiek. Binnen twee generaties van noest werkende schipper naar dichtende kasteelheer’, schrijft Van Stipriaan over P.C. Hooft, en dat typeert het hele boek. Het gaat over de onhandige oorlogvoering door Willem van Oranje en de interne strijd tussen zijn zoon Maurits en landsadvocaat Van Oldenbarnevelt; over de nog steeds onbesliste ‘nationale whodunnit’ over wie het Wilhelmus geschreven heeft. Tussendoor horen we nog over een pedofiele dichter – ‘een hete aardappel, die ook na ruim drieënhalve eeuw maar niet wil afkoelen’ – en over het drankprobleem en de ‘varkensweelde’ van de Gouden Eeuw.

Binnen de onstuimige opkomst van de Republiek is Amsterdam het eigenlijke mirakel: in de twee generaties van de familie Hooft ontwikkelde dat zich van een van vele steden en stadjes tot een metropool met internationaal aanzien en een centrale positie in het land. Werd de Republiek niet een soort stadstaat met een wat onafhankelijk achterland? De lange gevel van het statige Trippenhuis, waar nu de KNAW zetelt, laat nog het grote zelfbewustzijn zien van de Amsterdamse kooplieden van die tijd: zij bepaalden wat er gebeurde in een wereldmacht.

Het hoogtepunt van die macht werd bereikt rond het einde van de Tachtigjarige Oorlog toen in 1648 werd begonnen met de bouw van het nieuwe Amsterdamse stadhuis, nu het Paleis op de Dam. Sinds het door Lodewijk Napoleon tot nationaal paleis werd gemaakt is Amsterdam nooit meer de oude geworden.

Van Stipriaan heeft het over de rivaliteit tussen Amsterdam en Den Haag, maar was die er al in de Republiek? In Den Haag zaten de Staten van Holland en de Staten-Generaal, maar Amsterdam kon meestal zijn wil doorzetten, want de plaats Den Haag telde niet echt mee. In het koninkrijk moest Amsterdam zich wel opeens schikken naar wat in Den Haag werd beslist, en het is geen toeval dat de totstandkoming van het koninkrijk in Den Haag altijd uitbundig wordt gevierd en er in Amsterdam meestal weinig aandacht aan wordt besteed.

Zo geeft de goed geïnformeerde Van Stipriaan stof tot nadenken. Vanuit een brede cultuurhistorische interesse praat hij zijn lezers rustig en weloverwogen bij. Afgezien van enkele minder bekende literaire auteurs is zijn onderwerpskeuze klassiek. Dat er buiten Amsterdam en Holland nog een heel gebied was, blijft op de achtergrond, en over het mondiale handelsimperium horen we niets. Dat hindert niet, maar waarom moest hij zijn boek duwen in de mal van de nationale identiteit? Al lezende ga je vanzelf nadenken over de aard van de Nederlandse cultuur, dat werkt veel beter op de impliciete manier van de hoofdstukken dan via de wat platte stelling van de titel.

Want wat bedoelt de auteur met die Lof der botheid? Stipriaan zegt dat de Hollanders vóór de Gouden Eeuw al een reputatie en cultuur van botheid hadden die ze toen snel aflegden, maar die daarna weer terugkwam en ons tot op vandaag vergezelt. Dat overtuigt niet erg. Al te snel wordt een hedendaags imago dat deels voortvloeit uit de cultuuromslag van de jaren zestig en dat voor sommige perioden veel minder geldt, een continue eigenschap van ‘echte Hollanders’ die altijd ‘hechten aan hun botheid’ en ‘ongepolijste eenvoud’ en die zelfs de huidige houding tegenover asielzoekers moet verklaren. Amsterdammers hebben een ‘aangeboren’ neiging tot debat, dat klinkt wel heel definitief. Opeens slaat Van Stipriaan de nuances over. Die stijlbreuk is jammer.