Column

Een ander is al snel een hele groep

Ik merkte het, niet voor de eerste keer, afgelopen weken in Zuid-Afrika. Hoe je je een vertegenwoordiger van een groep (witte Europeaan) kunt voelen. En hoe gemakkelijk je anderen ook als zodanig ziet, in plaats van als individuen. Het overgrote deel van de bevolking is zwart, maar geheimzinnig genoeg kom je er grotendeels in een witte wereld terecht als toerist. De zwarte mensen die je ziet, lopen door de supermarkt of op straat, vaak langs de weg, eindeloze einden, en verder zijn ze de pompbediende, kelner, kassajuffrouw, tuinman, politieagent – maar niet de hoteleigenaar, B&B-verhuurder, uitbater van de lodge, niet je familie, niet hun vrienden, niet de andere toeristen.

En dus denk je makkelijk over hen als ‘ze’. Ze wonen vaak in eigen dorpen en wijken. Ze moeten ver lopen. Waar zouden ze werken?

Omdat de meeste arme mensen die je ziet zwart zijn, en omdat we weet hebben van de geschiedenis van dat land, voel je je een beetje schuldig, om je rijkdom en je lichte huid. Je wilt laten merken dat jij niet ‘zo’ bent, dat je tegen apartheid, tegen discriminatie, tegen ongelijkheid bent. Dus doen witte toeristen vaak overdreven aardig en joviaal tegen elke zwarte man of vrouw die ze tegenkomen. Haast alsof ze de Zuid-Afrikanen wel eens even zullen laten zien hoe je dat doet, ongedwongen omgang met andere rassen. Vinden wij in Europa heel gewoon. Kijk maar.

‘Er heerst veel wit schuldgevoel in dit land”, zei mijn Zuid-Afrikaanse schoonzusje. Zij, geboren en getogen op een boerderij in KwaZulu-Natal, heeft het ook. Maar je kunt je niet op dagelijkse basis schuldig voelen. („Moet ek altyd oor alles wroeg?” schreef een Zuid-Afrikaanse schrijver.) Ze vertelde dat ze in Malawi was geweest, waar het heel anders is, daar is gewoon iedereen zwart en heb je niet dat vervelende post-koloniale gevoel. Dus toen ze terugkwam, na een heerlijk verblijf aan Lake Malawi, was ze, zoals ze zei, in een „I love Africa”-stemming. Zodat ze de zwarte man die zei dat hij van de buren kwam en even in haar tuin moest zijn om een tak af te kunnen zagen, niet aan het hek liet wachten tot ze de buren had gebeld, as one does levend in een land met hoge misdaadcijfers, maar hem zwierig vroeg mee te lopen en hem zelfs even alleen liet in huis. Daarna zag ze hem nog net wegrennen met haar telefoon.

„Mensen als jij verpesten het voor dit land!” had ze woedend op haar eigen voicemail geschreeuwd. Ze moest er achteraf om lachen. Het is net of het door het overbewust zijn van de politieke situatie, niet meer uit te maken is wat normale voorzichtigheid is en wat racistische achterdocht.

En het is ook zo dat de man toen hij de telefoon stal niet langer gewoon ‘een man’ was, zoals ze had willen denken, zichzelf forcerend om neutraal te zijn, maar ‘een zwarte man’. Vertegenwoordiger van zijn bevolkingsgroep. Zoals de Afghaan en de Irakees die in Duitsland verdacht worden van verkrachting. Dat zijn niet twee heel verschillende mannen die op verschillende tijden iets gedaan hebben wat andere mannen helaas ook wel eens doen. Nee. Dat zijn vertegenwoordigers van alle asielzoekers.

Iedereen weet dat je zo niet moet denken, maar iedereen weet ook hoe gemakkelijk het gaat. „Ontferm julle nou oor my // want ek is die een wat soek // en nie weet waarna en ek // is die een wat loop en nie // weet waarheen” schreef dichteres Wilma Stockenström. We schieten tekort, het is niet anders. Maar we doen ons best.