Column

Amusement en zeggingskracht gaan niet gelijk op

Ron Rijghard

De grote cabaretfestivals leverden dit jaar interessante winnaars op. Martijn Kardol won in Leiden, Stefano Keizers in Amsterdam en Pieter Verelst in Rotterdam – alle drie volop in de theaters te zien. Met Verelst en Keizers werden hoogst eigenzinnige en originele makers bekroond. Maar de publieksprijs ging in hun geval naar comedians met toegankelijkere humor.

Dat werpt de vraag op hoe cabaret wordt beoordeeld. De amusementswaarde weegt zwaar, maar theatrale vondsten, vormexperimenten en slimme redeneringen bepalen even goed het artistieke gewicht. Over dergelijke uitgangspunten moet je je als jurylid duidelijk uitspreken, merkte ik onlangs bij het Groninger Studenten Cabaret Festival. De spannendste discussies met mijn medejuryleden gingen over de verschillen tussen geschoolde en ongeschoolde performers. Deelnemers met vier jaar opleiding bezaten een gepolijste verteltechniek. Maar inhoudelijke zeggingskracht leek niet van scholing afhankelijk. Dat techniek, amusement en inhoud niet per se gelijk opgaan, blijkt ook uit het debuut van Thijs van de Meeberg, Er mag gedanst worden.

Van de Meeberg zette meerdere verhaallijnen uit en hield de aandacht anderhalf uur vast.

Van de Meeberg, die een cabaretopleiding volgde aan de Koningstheateracademie in Den Bosch, won in 2015 met overmacht het Leids Cabaret Festival. Hij was scherp en origineel, een echt talent. De grootste zorg is daarna of iemand de sprong kan maken van een sterk half uur naar een avondvullende voorstelling. Dat was vorige week bij zijn optreden in theater De Naald in Naaldwijk allerminst een probleem. Van de Meeberg zette meerdere verhaallijnen uit en hield de aandacht anderhalf uur vast.

De vervlechting van zijn verhalen is soms knap, soms ruw. In één verhaal raakt hij opgesloten in een isoleercel. Dan is het vernuftig als hij iemand op de deur laat kloppen met de vraag of hij al rustig is, terwijl hij net verwikkeld is in een anekdote vol geweld. Maar andere keren is de overgang niet meer dan: „Ik stond nog steeds op het station”, terug naar een verhaal dat zich daar afspeelt.

De dilemma’s die Van de Meeberg aansnijdt – hoe kom ik over, hoe red ik mij uit netelige situaties – blijven aan de oppervlakte. Een daarmee samenhangend manco is dat grappen dun gezaaid zijn. Soms heeft tekst wel de potentie om geestig uit te pakken, maar dan ontbreekt de juiste timing en intonatie. Dat kan dus ook mis gaan als je geschoold bent. Zo gaat bijvoorbeeld een running gagje over het gewicht en de lengte van een dikke vrouw de mist in. Oftewel: ook een ‘interessante winnaar’ moet zich blijven ontwikkelen. Cabaret vraagt om meer dan het beheersen van één vaardigheid.