Hoe zwak onderzoek in een toptijdschrift terecht kwam

Nature-artikel

Hoe kan het dat een artikel met grote tekortkomingen toch is verschenen in toptijdschrift Nature? Hester van Santen achterhaalde dit. En geeft een onthullend beeld van poortwachters die willens en wetens gebreken laten passeren .

Op de Nederlandse Demografiedag, in november, stond de Franse demograaf Jean-Marie Robine achter de katheder in het Utrechtse academiegebouw. Hij was uit Montpellier overgevlogen voor de inleidende lezing van de dag. Het ging over een belangrijk maatschappelijk onderwerp: de stijgende levensduur van de mens.

We zijn in de afgelopen honderd jaar almaar ouder geworden, liet de demograaf zien. „In Frankrijk leven nu zo’n dertig 110-plussers. In 1960 nog niet één.” Hoe lang gaat dat nog door, en wat zijn de gevolgen? Robines presentatie zat vol grafieken, allemaal van bekende specialisten zoals hij.

Lees hier de Engelse versie van dit artikel

Maar al na een minuut of vijf kon hij niet heen om een recent artikel in Nature van drie volslagen onbekenden in het vak. Op 5 oktober was het verschenen, onder de titel Evidence for a limit to human lifespan. Drie genetici uit New York concludeerden, na een demografische analyse, dat mensen nooit ouder zullen worden dan ongeveer 115 jaar.

„We hebben collega’s”, begon Robine met voelbare ironie, „die suggereren dat, in tegenstelling tot de verwachtingen, de grens aan de levensduur al bereikt is.” Pas tijdens de vragenronde zei een promovendus het hardop: „Eerlijk gezegd is dit het zwakste artikel dat ik ooit in een toptijdschrift heb gelezen.” Robine ging er niet op in. Misschien omdat zijn eigen naam onder aan de publicatie had gestaan: Nature bedankt J.-M. Robine voor zijn peer review.

De tekst gaat verder onder de foto

Beeld Arjen Born

Beeld Arjen Born

‘Ik zag meteen: dit is niet waar.’

Dat was het eerste dat demograaf Joop de Beer van het Nederlandse Interdisciplinair Demografisch Instituut zegt aan de telefoon, gevraagd naar het Nature-artikel. „We zijn bezig met een reactie.” De promovendus die in Utrecht het woord nam, staat niet alleen in zijn boude mening – verre van.

„Het is frustrerend dat dit in een toptijdschrift verschijnt ”, zegt John Wilmoth, hoofd demografie van de Verenigde Naties, aan de telefoon. „De data-analyse is ongeschikt in meerdere opzichten”, mailt hoogleraar Shiro Horiuchi voorzichtig vanuit New York. En directeur Jim Vaupel van het Duitse Max Planck Institut für Demografische Forschung reageert zoals vakgenoten hem kennen – keihard. „Ze hebben gegevens in een computer geschoven zoals je voer in een koe schuift.” Tenminste vier onderzoeksgroepen hebben kritische reacties naar Nature gestuurd.

Ze hebben gegevens in een computer geschoven zoals je voer in een koe schuift.

Hoe kon dit artikel verschijnen in één van de wetenschappelijke toptijdschriften ter wereld? Die vraag wordt in de academische wereld met enige regelmaat gesteld, maar nooit beantwoord. Niet, bijvoorbeeld, bij het weggelachen artikel over de ‘arseenbacterie’ in Science (2011), die arsenicum als bouwstof zou gebruiken. Niet bij het grote schandaal over STAP-stamcellen in Japan (2014), dat begon met een artikel in Nature dat later is teruggetrokken. En al helemaal niet bij de vele onomstreden publicaties in toptijdschriften.

Beeld Arjen Born

Beeld Arjen Born

Het antwoord op die vraag ligt bij de poortwachters van het publicatieproces. Behalve de redacteuren van het tijdschrift zijn dit de peer-reviewers. Die peers zijn vakgenoten die worden uitgenodigd om het manuscript te beoordelen. Bij de toptijdschriften zijn de poortwachters uiterst selectief, en wijzen het overgrote deel van de ingestuurde manuscripten af. Ze hebben een grote verantwoordelijkheid. Manuscripten die zij toegang verlenen, zoals Evidence for a limit to human lifespan, zullen zwaar meewegen in het huidige maatschappelijke en wetenschappelijke debat – in dit geval over de menselijke levensduur. Worden onze (klein)kinderen 130 of 140, of ook ‘gewoon’ 90 of 100? Het is een zware rol voor een publicatie waarvan de conclusies, volgens veel vakspecialisten, simpelweg op drijfzand rusten.

Wetenschapsjournalisten zoals ikzelf schrijven over studies die, na die strenge controle, in toptijdschriften zijn afgedrukt. Die sluis is een kwaliteitsstempel voor onderzoek: het is, in goed Nederlands, gepeerreviewd. Wetenschappers hanteren die maatstaf ook.

Toch klonken er meteen al na publicatie luide bezwaren op Evidence for a limit to human lifespan. Op basis daarvan schreef ik een kritisch artikel in deze krant. En het maakte me nieuwsgierig. Hoe verliep het proces van redactie en peer review bij dit Nature-artikel?

Dat gaat in strikt vertrouwen, en Nature wilde daarom niet inhoudelijk reageren. Toch was het proces te reconstrueren, op basis van gesprekken met twee van de drie peer-reviewers en de auteurs. Het bleek onontgonnen terrein. Kenners zeggen geen andere voorbeelden van dit soort gevalsbeschrijvingen te kennen.

Het peer-reviewproces is, volgens Nature, zorgvuldig, onafhankelijk en afgewogen. Maar de gesprekken gaven een heel ander beeld. De auteurs zeiden dat hun reviewers de materie beter beheersten dan zijzelf. De reviewers wisten dat. Ze hadden kritiek, maar namen toch een groot deel van de analyse helemaal niet onder de loep. En Nature liet het passeren.

‘Ik haalde een grap uit, ik stuurde het naar Nature’

„Het is niet zozeer mijn specialiteit, dit hele werk”, zegt hoogleraar genetica Jan Vijg over de Nature-publicatie. „Ik ben geen demograaf.” Van de drie auteurs is hij de corresponding author, degene die de eindverantwoordelijkheid draagt. Vijg is geneticus, gespecialiseerd in levensduur en veroudering. Hij is in Rotterdam geboren en vertrok al vroeg in zijn carrière naar de VS. Sinds 2008 is hij hoogleraar bij het Albert Einstein College in New York.

In zijn lab werkten ook de twee ‘eerste auteurs’ van de studie, postdoc Xiao Dong en promovendus Brandon Milholland – zij voerden de analyses uit. Ze zijn gespecialiseerd in het doorvlooien van grote hoeveelheden DNA-gegevens. Maar, zegt Jan Vijg, „op de lab meetings praten we over van alles”. Bij zo’n vergadering ging het: worden de oudste mensen eigenlijk nog steeds ouder? Vijg: „Ik zei tegen mijn medewerkers: kijk het eens na. Zij weten hoe ze met databases moeten omgaan.”

Milholland en Dong gingen aan de slag. Ze rekenden aan de levensverwachting in de VS. En ze deden iets aansprekends: ze maakten een grafiek van extreem oude bejaarden, 110-plussers oftewel supercentenarians. De beroemdste, en alleroudste, is de Française Jeanne Calment, die in 1997 overleed toen ze 122 was. Dong en Milholland baseerden zich op gegevens van de Gerontology Research Group, een fanatieke groep liefhebbers die wereldwijd actief is en claims onderzoekt over record-bejaarden – het Guinness-recordboek gebruikt die lijsten ook.

Statistiek staat bij ‘Nature’ in het tweede rijtje aandachtspunten, „voor als u tijd heeft”

Dong, Milholland en Vijg concludeerden: die oudste ouderen zijn de afgelopen twintig jaar niet meer ouder geworden. Vijg: „We staken er steeds meer energie in. Daarom dacht ik: laat ik gewoon een grap uithalen. Laat ik eens kijken of Nature erin geïnteresseerd is.”

Het manuscript – dunner dan de uiteindelijke versie – kwam terecht bij Nature-redacteur Marie-Therese Heemels. Ze werkt al 21 jaar bij Nature en heeft veroudering in haar portefeuille. Zij en haar collega’s maakten een doorslaggevende keuze: het artikel kwam in aanmerking voor peer review.

Heemels stuurde het artikel in april naar drie reviewers. Van één van hen, die duidelijk goed ingevoerd was in de materie, lukte het me niet om de identiteit te achterhalen. Zelfs een oproep van een invloedrijke demograaf op een mailinglijst leverde niets op. De tweede was de demograaf die in Utrecht had gesproken: Jean-Marie Robine, hoogleraar bij het Franse overheidsinstituut INSERM.

De derde was eveneens een expert in de demografie: hoogleraar epidemiologie Jay Olshansky. Met hem had Nature een reviewer uitgekozen die al 26 jaar verkondigt wat de auteurs ook concludeerden: er is een grens aan de menselijke levensduur.

De tekst gaat verder onder de foto

Beeld Arjen Born

Beeld Arjen Born

‘Ik kende de conclusies al’

„Ik kende de data beter dan de auteurs. Zij zijn biologen! Zij zijn geen demografen, you know .” Jay Olshansky is aan de telefoon. „Ik heb al 26 jaar met precies deze gegevens gewerkt”, zegt hij. „ik kende de conclusies al .”

Geneticus Jan Vijg had zich met zijn artikel midden in een langlopende discussie in de demografie gestort: hoe oud kunnen we worden? Het is een wezenlijke, nabije kwestie. Maar er zijn weinig bevolkingsgegevens om zulke prognoses op te baseren. Van 110-plussers lopen er in een land – zoals in Frankrijk – vaak maar enkele tientallen rond.

Het heeft geleid tot een felle richtingenstrijd. Aan de ene kant: demograaf Jim Vaupel van het Duitse Max Planck-instituut voor demografie. Aan de andere kant: Jay Olshansky. „Propaganda”, oordeelde Vaupel al op de dag dat Evidence for a limit to human lifespan verscheen. „Het vertelt een heel boeiend verhaal”, zei Jay Olshansky tegen The New York Times.

Vaupel ziet een onverminderde toename van de levensduur. Een aantal demografen, waaronder Jean-Marie Robine, vindt Vaupels voorspellingen te simpel. Zij betogen dat de toename in levensverwachting sinds kort wél vertraagt. Een beetje, en voorzichtig.

Olshansky gaat verder: hij voorspelt het einde van de stijgende levensduur, althans in de Verenigde Staten. Hij betoogt dat de strijd tegen chronische ziekten uiteindelijk niet zal opwegen tegen de voortschrijdende slijtage van ons lichaam. Het artikel van Vijg paste bij zijn ideeën, zegt de demograaf aan de telefoon. „Er is een grens, en dat zou niemand moeten verrassen. We leven nou eenmaal niet eeuwig.”

‘De focus moet minder liggen bij de statistiek’

Olshansky zegt over zijn review-rapport dat het „vrij uitgebreid” was, en dat zijn belangrijkste kritiek ging over een biologisch principe. „Ik stond erop dat in de publicatie duidelijk werd dat er géén genetisch programma bestaat voor veroudering of dood. We hebben geen klok in ons lichaam.” Verder had hij geen belangrijke opmerkingen. „Ik heb misschien wat technische punten genoemd waar ik, als reviewer, verder niet op wil ingaan.”

Hij richtte zich in ieder geval niet in detail op statistiek of grafieken, zegt hij. „De focus moet minder liggen bij de statistiek, en meer bij de algemene waarneming dat mensen niet zo lang leven. Dat is het punt!”

Tot dan toe dacht ik dat het een belangrijke taak is voor een reviewer om zich juist te richten op statistiek. Maar bij Nature blijkt dat geen enkel probleem. In de elf hoofdvragen die het tijdschrift opstelde voor een „ideale review”, komen statistiek en methodologie niet expliciet aan de orde. Die staan bij het tweede rijtje vragen, „voor als u tijd heeft”. Van de elf vragen gaan er vijf over noviteit en belang van het manuscript. Zoals: „Wordt deze publicatie waarschijnlijk één van de vijf belangrijkste artikelen van dit jaar in dit vakgebied?”

Jay Olshansky herinnert zich niet meer welk advies hij als reviewer gaf over de eerste versie van het manuscript van Evidence for a limit to human lifespan. Hij zegt dat hij óf adviseerde om het manuscript af te wijzen, of om het te laten herzien.

Volgens Jan Vijg kwamen alle reviewers in ieder geval met een „gigantische hoeveelheid kritiek”. De onbekende reviewer was kritisch op allerlei aspecten van de methodologie. Vijg vond hem of haar zelfs „erg onaardig”. Typisch Jim Vaupel, dacht Vijg. Maar die ontkent stellig dat hij het was. De Franse demograaf Jean-Marie Robine herinnert zich, in tegenstelling tot Olshansky, nog wel hoe hij zelf oordeelde. „Ik was erg negatief. Ik adviseerde Nature om het af te wijzen.”

‘Outsiders kunnen in Nature publiceren met onze gegevens’

Op 14 april kreeg Jean-Marie Robine in Montpellier de eerste versie van Vijgs manuscript toegestuurd. Hij zag methodologische tekortkomingen. Een analyse over levensverwachting, alleen op basis van de Verenigde Staten? Onder demografen staan de historische sterftecijfers van dat land niet als heel betrouwbaar bekend. Hij adviseerde de wereldwijde demografische Human Mortality Database te gebruiken – die kende bioloog Jan Vijg niet.

Beeld Arjen Born

Beeld Arjen Born

Deel twee van het manuscript was bij uitstek Robines specialiteit: de analyse van supercentenarians, oftewel 110-plussers. Aan hen had hij zijn carrière gewijd. Hij had bevestigd dat zijn landgenote Jeanne Calment, de oudste mens ter wereld, écht 122 jaar was toen ze stierf. En in 2002 was hij, met onder anderen Jim Vaupel, begonnen een betrouwbaar bestand aan te leggen van alle supercentenarians per land: de International Database on Longevity (IDL).

Xiao Dong en Brandon Milholland hadden die 110-plussers nou juist uit het ‘Guinness-recordboek’-bestand van de GRG gehaald. Jean-Marie Robine adviseerde hen om in plaats daarvan IDL-gegevens te gebruiken. „De oudere data uit de GRG zijn gecompliceerd.” Hij legde het Amerikaanse drietal ook uit hoe ze hun analyse van de International Database on Longevity het best konden opzetten. „Daar hebben we ons voordeel mee gedaan”, vertelt Jan Vijg.

Vanwege Robines goede suggesties bood Nature hem zelfs aan om, onderaan de publicatie, in naam bedankt te worden. Dat wilde hij wel. „Voor ons als initiatiefnemers van de IDL is het goed om het resultaat te zien van onze inspanningen”, zegt hij. „Outsiders kunnen een Nature-publicatie schrijven met deze gegevens, met de hulp van goede reviewers.”

‘Het is niet alleen van ons. Het is van een hele groep mensen.’

Maar eerst leek het erop dat er helemaal geen Nature-publicatie zou komen. De redactie gaf gehoor aan de kritiek van Robine en de onbekende reviewer: het manuscript van de drie biologen werd zonder reserves afgewezen. „Ik had het binnen drie weken terug”, vertelt Jan Vijg.

Maar toen, ergens in mei of juni, gebeurde er iets onverwachts dat het lot van de publicatie bepaalde: de Nature-redactie maakte een draai. Geneticus Brandon Milholland, die in september zijn doctorstitel verwierf, herinnert het zich. „Eerst zei de redacteur: we vinden het niet interessant. Maar wij zeiden: waarom kijk je er niet nog een keer naar?”

Milhollands hoogleraar Jan Vijg was één ding opgevallen aan die kritische rapporten. „De reviewers ontkenden niet dat we een punt hadden. Onze conclusies stonden nog steeds.” Niemand had hardop gezegd dat er géén grens was aan de menselijke levensduur. Jay Olshansky niet, dat spreekt. Maar Robine deed dat evenmin – ook al vond hij de conclusies niet gerechtvaardigd. „Ik denk niet dat de aanpak van de auteurs bewijs levert voor een grens aan de menselijke levensduur.”

„Je zou kunnen zeggen dat we redelijk goede studenten waren.”

Maar dat hardop zeggen , dat vond hij te ver gaan. „Je kunt niet adviseren om een manuscript af te wijzen, louter omdat je het oneens bent met de interpretatie van de resultaten.” Dit bescheiden standpunt lijkt niet helemaal in overeenstemming met de review-handleiding van Nature. Eén van de elf hoofdvragen voor de ideale review luidt: „Zijn de beweringen overtuigend?”

Hoe dan ook: Vijg, Milholland en Dong kregen hun tweede kans. En daarbij maakten ze gretig gebruik van de demografie-les die ze van hun reviewers hadden gekregen, vertelt Vijg. „Ze gaven letterlijk aan hoe we de demografische analyses fout gedaan hadden, en hoe we het wel moesten doen.”

Volgens Nature geven reviewers een „onafhankelijke beoordeling”. Of daar nog sprake van was, is zeer de vraag. De beoordeling van Robine en Olshansky is niet los te zien van hun wetenschappelijke overtuigingen en carrières. Bovendien raakten ze, door hun suggesties, steeds nauwer bij het manuscript betrokken.

Jay Olshansky vertelt: „De [Nature-]redactie kwamen een paar keer bij me terug. En de auteurs waren heel volhardend. Ze bleven maar proberen om het goed te krijgen. ” Hoogleraar Jan Vijg: „Je zou kunnen zeggen dat we redelijk goede studenten waren.” De geneticus is als corresponding author eindverantwoordelijkvoor de inhoud, maar hij bedeelt zijn reviewers haast een rol van mede-auteur toe. „Het is niet alleen van ons. Het is van een hele groep mensen.”

‘Ik herinner me niet of ik daarnaar gekeken heb’

Nog geen drie maanden nadat ze van Nature het eerste manuscript hadden ontvangen, kregen de drie reviewers de tweede versie opgestuurd. Jean-Marie Robine ontving het document op 11 juli. Het was anders dan het eerste, en vooral veel uitgebreider.

Beeld Arjen Born

Beeld Arjen Born

Postdoc Xiao Dong had de analyse uitgevoerd die Robine had voorgesteld, met het IDL-bestand van 110-plussers. Promovendus Brandon Milholland was, grotendeels in zijn eentje, aan de slag gegaan met de sterftecijfers uit de Human Mortality Database. Dat laatste was een project op zich: een analyse van bevolkingscijfers van 41 landen.

In het eerste manuscript hadden minder dan vijf grafieken gestaan. Milholland had er inmiddels 205 gefabriceerd, waarvan 200 in de ‘Extended Data’ zijn afgedrukt, het datasupplement. Je zou verwachten dat de reviewers zich hierop stortten. Maar dat gebeurde niet.

„Ik herinner me niet of ik daarnaar gekeken heb”, zegt Jean-Marie Robine. „Er zijn betere experts op dit gebied dan ik.” En daarbij: hij bestudeert bij een review alleen bij uitzondering het datasupplement. Elk van die grafieken van Milholland is op papier niet groter dan een 2-euromunt. Hij vindt al die extra grafiekjes „saai, rommelig en verwarrend”.

Robine was niet de enige. Volgens Milholland ging geen van de reviewers inhoudelijk in op zijn analyse. Teleurstellend misschien? „Als de reviewers zeggen dat het goed is, is niemand teleurgesteld als ze niet in meer detail op je publicatie ingaan. Als het gepubliceerd wordt, you know – dat is goed genoeg .” Het is Milhollands negende wetenschappelijke publicatie. Hij vindt reviewprocessen doorgaans „een beetje frustrerend”. „Soms zijn reviewers zo oppervlakkig dat je denkt van, wow, heb je de paper wel gelezen?”

De tweede review van Jean-Marie Robine was „heel kort”. Hij schreef dat het „moeilijk was om grote bezwaren tegen het manuscript te hebben”. „De auteurs hadden 100 procent van mijn eerdere suggesties overgenomen.” Alleen de derde reviewer bleef kritisch tot het eind, vertelt Jan Vijg. „Die bleef volhouden dat het toch niet waar was.”

Inmiddels heeft de Franse hoogleraar de minuscule grafieken van Milholland wel bekeken. „Amazing.” Regelmatig springen de cijfers van jaar tot jaar wild op en neer, zoals in Nieuw-Zeeland tussen 1960 en 1980. Zelfs Milholland klinkt aan de telefoon verrast. „Eens kijken…hmm… wat kan daar nou aan de hand zijn?” Reviewer Jay Olshansky idem: „Dit kan niet.” Hij verklaart de fluctuaties door de beperkte gegevens. Maar, zegt de demograaf: „Het feit dat er zo weinig gegevens zijn, dát is het verhaal! Mensen leven gewoon niet zo lang. ”

Zes dagen nadat Jean-Marie Robine zijn positieve oordeel had opgestuurd, kreeg hij bericht van Nature: het artikel van Jan Vijg was geaccepteerd. Op 5 oktober was het zover. Het stond zelfs bovenaan de persberichtenlijst van Nature, en het was voorzien van een paginagroot, welwillend redactioneel commentaar. De auteur: Jay Olshansky.

Dat hij ook het artikel voor verschijnen had beoordeeld, hoefde hij niemand te vertellen. Alles tussen het insturen van een manuscript en publicatie (of afwijzing) gebeurt bij Nature in diepe vertrouwelijkheid. Zo is het ook bij de andere toptijdschriften Science, Cell, The Lancet, NEJM. Vele wetenschappers besteden er onbetaald tijd aan. De Nature Publishing Group bedankt op zijn site „alle 32.319 personen” die in 2015 een artikel reviewden voor de uitgever.

Verreweg de meeste artikelen, 92 procent, worden bij Nature door de redacteuren of reviewers afgewezen. Waren de Nature-redacteuren, de demografen Jay Olshansky en Jean-Marie Robine, en de derde peer reviewer, strenge, onafhankelijke, alles afwegende poortwachters geweest? Hadden ze er terecht voor gezorgd dat juist dit artikel Evidence for a limit to human lifespaneen plek kreeg bovenop de wetenschappelijke apenrots, ten koste van elf andere manuscripten?

Een van de peer reviewers schreef uiteindelijk het begeleidende commentaar bij artikel

Nee, denkt Chris Graf. „Ik denk niet dat Nature blij is dat ze dit manuscript gepubliceerd hebben.” Hij is vice-voorzitter van de Committee on Publication Ethics. COPE is een vereniging van circa 20.000 redacteuren van wetenschappelijke tijdschriften, met als doel het publicatieproces te verbeteren. „Dit verhaal wijst hiaten aan in de processen van Nature. Ik ben er zeker van dat ze deze zaak zullen aangrijpen om zulke problemen op te lossen.”

Was dit dan een uitzonderlijke uitglijder?

Het oordeel van twee andere kenners van peer review was even koel als verontrustend. „Ik zie hier allerlei tekortkomingen”, oordeelt Richard Smith, „maar ik denk niet dat het uitzonderlijk is”. Hij was tot 2004 hoofdredacteur van de BMJ en is nu een bekend criticus van het klassieke peer-reviewsysteem. Jelte Wicherts, onderzoeksmethodologie- en peer-reviewspecialist bij de universiteit van Tilburg noemt het proces „wat rommelig, maar waarschijnlijk niet atypisch”.

Ze lazen deze hele casus, en stuurden een uitgebreid oordeel terug. Ja, oordelen beiden: de onafhankelijkheid van de peer-reviewers kwam in het geding. En ja, de reviewers zijn onvoldoende kritisch geweest over statistiek. En dat is allemaal tamelijk gebruikelijk.

Beiden zijn maar over één ding verbaasd: dat Nature zo plotseling over het manuscipt van mening veranderde. „Het suggereert dat de redacteuren aangetrokken werden door de sexiness van het artikel”, vindt Smith. En Wicherts: „Blijkbaar heeft iets hen doen beseffen dat dit stuk nieuwswaardig en invloedrijk zou worden. En dat is feitelijk hun business model.”

De tekst gaat verder onder de foto

Beeld Arjen Born

Beeld Arjen Born

‘Heel goed ontvangen, vond Nature’

„We hebben een ongelofelijke boel e-mails gekregen”, vertelde Jan Vijg een maand na de publicatie. Hij kreeg veel kritische reacties, maar er waren ook steunbetuigingen. „De redacteur bij Nature zei dat het artikel heel goed ontvangen is.” Een gulle gever schreef zelfs een cheque uit van 60.000 dollar. „Omdat ie het zulk goed werk vond.”

In het Utrechtse academiegebouw beëindigt Jean-Marie Robine zijn lezing. Hij komt nog even terug op het Nature-artikel. Hij legt uit dat het moeilijk is om prognoses te geven over de grenzen van het menselijk leven. Maar alleen naar record-bejaarden kijken zoals Vijg deed, nee, dat vindt hij niet de aanpak. „Dat gaat alleen over de details.” Hoe het wel moet, zegt hij, is een vraag die het vak moet beantwoorden. „Ik kan u alleen maar aanmoedigen om iets intelligents te zeggen over de toename van de menselijke levensduur.” De zaal grinnikt.

Gegniffel. Daar blijft het bijna altijd bij, bij wetenschappelijke ‘topartikelen’ met wankele methoden en zachte conclusies. Zo ging het bij de arsenicumbacterie, zo zal het nu waarschijnlijk weer gaan. Het artikel terugtrekken? Als er, zoals in dit geval, geen sprake is van wetenschappelijk wangedrag, is dat hoogst ongebruikelijk. Wel kunnen er één of twee kritische reacties toegevoegd worden aan het artikel van Jan Vijg. In ieder geval één zo’n reactie is momenteel onder peer review. „Ik hoop dat Nature er één accepteert”, zegt Vijg aan de telefoon. Want dan mag hij een respons schrijven. „Hebben we weer een artikel in Nature.”