Commentaar

Voorwaardelijke rode kaart voor Wilders in wijs vonnis

De uitspraak van de rechtbank Den Haag gisteren in de zaak Wilders is een tussenstap, helaas. De PVV-leider procedeert verder over de vraag of zijn kwetsende opmerkingen over ‘minder Marokkanen’ nu wel of niet vallen onder de vrijheid van meningsuiting voor politici. Gisteren kondigde hij pal na publicatie van het verkorte vonnis hoger beroep aan – en over cassatie zal Wilders ook niet lang hoeven nadenken.

Tot nu toe verschaft zijn positie als voorwerp van vervolging hem veel publiciteit en dus een podium waarop hij onweersproken politiek kan bedrijven. Dit gaat mogelijk nog jaren duren – geen opwekkend vooruitzicht. Niet voor de minderheden, tegen wie hij blijft fulmineren. Maar ook niet voor de rechtspraak tegen wie de politicus alweer van leer trok.

Op inhoudelijke merites beoordeeld, is het vonnis genuanceerd en wijs. Vrijspraak voor een opmerking op de Haagse markt, vrijspraak voor ‘haat zaaien’ en voor het restant geen straf, maar wel een schuldigverklaring wegens groepsbelediging en discriminatie in het café, vooral vanwege het geregisseerde, berekende effect. De rechtbank constateert dat dit een ‘uitzonderlijke zaak’ is, omdat Wilders volksvertegenwoordiger is en leider van de PVV. De rechtbank stelt vast dat ‘verdachte zich als politicus schuldig heeft gemaakt’ aan de feiten en dus soepeler wordt behandeld.

Het vonnis is dus in hoge mate symbolisch – de norm ‘gij zult niet beledigen en discrimineren’ is bevestigd of ‘ingescherpt’ zoals het jargon luidt. Maar de strafwaardigheid is op nul gewaardeerd, juist omdat Wilders politicus is. Daarvan heeft hij dus voordeel en geen nadeel, zoals Wilders zelf steeds met nadruk heeft verklaard.

Of dit oordeel enige preventieve werking heeft, valt te betwijfelen. Wilders verklaarde steeds zich nergens iets van te zullen aantrekken. Ook nu presenteerde hij het vonnis weer als een partijdige poging hem te knevelen. Dat is uiteraard niet het geval. De politicus ‘die alles wil zeggen’ kan daarvoor, net als voorheen, terecht in het parlement, waar hij onschendbaarheid geniet. Daarbuiten geldt de wet die op iedereen van toepassing is en die beoogt een pluriforme, vreedzame samenleving mogelijk te maken, waarin minderheden zich veilig kunnen voelen. Wil de PVV publieke discriminatie en belediging in de openbare ruimte mogelijk maken, dan is daar volgende week al gelegenheid voor – er ligt een initiatiefwetsvoorstel dat de betreffende wetsartikelen wil schrappen.

Opmerkelijk is de tik op de vingers die Wilders krijgt voor zijn aantijgingen over het politieke en partijdige karakter van het proces. Hier krijgt Wilders als parlementariër en medewetgever te horen dat kwalificaties als ‘neprechtbank’ en ‘D66-rechters’ zijn functie ‘onwaardig’ zijn. Menselijkerwijze is zo’n berisping te begrijpen voor een rechtbank die maanden zwaar onder vuur lag. Maar het was beter geweest als niet deze strafkamer in deze zaak zich daarover had uitgelaten – dat leidt de aandacht maar af van de zaak zelf. Wilders kritiek betrof de legitimiteit van de gehele rechtspraak; een weerwoord elders uit de trias politica, minister of premier, was meer op zijn plaats geweest.

In het eerste proces kreeg Wilders al een gele kaart: vrijspraak met de waarschuwing dat hij zich op het randje van het toelaatbare bewoog. Met deze ‘schuldig zonder straf’ krijgt hij een voorwaardelijke rode kaart. Het echte antwoord op Wilders zal uit de samenleving moeten komen. In de vorm van tegenspraak en debat – met begrip voor zorgen en angsten, met behoud van respect en begrip voor elkaars standpunt. Die dialoog moet hervonden worden.