Recensie

Zo voelt het om langs een ravijn te sleeën - ‘Ik knijp ’m een beetje’

Een slopende tocht omhoog, in ijle lucht, met diepe afgronden. doorstaat het om naar beneden te sleeën.

Nog geen half uur geleden waren we nog zo blij met het weer. Stralende zon in een wolkenloze lucht, en maar een graad of vier onder nul. Beter wordt het weer niet in maart op ruim twee kilometer hoogte in de Zwitserse Alpen. Maar nu keert de zon zich tegen ons. We worden van de berg gebrand alsof we mieren zijn, en er een enorme kleuter boven ons hangt met een vergrootglas op ons gericht.

Spekglad

De wandeling die mijn gids Svenja Hostettler en ik maken is veel zwaarder dan ik dacht. De lucht is zo hoog ijler, en het pad gaat steeds omhoog. Meestal hellend, soms steil. Het pad dat loopt vanaf bergstation First (2.167 meter hoogte) naar de top van de Faulhorn (2.681 meter) is weliswaar geprepareerd, maar ik zak bij elke stap een beetje weg.

Ligt aan m’n schoenen: legerkisten. Die leken mij thuis zo verstandig. Het leger loopt daar immers op, en als je er een oorlog op kunt voeren, kun je er vast ook een wandeling door de sneeuw op maken? Maar het profiel vult zich elke paar stappen met sneeuw, waardoor ze spekglad worden. Het maakt de tocht zo zwaar, dat ik halverwege serieus twijfel of ik het ga halen.

Het doel moet de moeite waard zijn, en daarom loop ik door. Bovenop de Faulhorn begint de langste sleeroute van de wereld, de ‘Big Pintenfritz’. Volgens de overlevering vernoemd naar een weddenschap in een kroeg. Ik sleep daarom al die tijd ook nog eens een meermaals hardop vervloekte slee achter me aan.

Die Pintenfritz is net als de weg ernaartoe niet kinderachtig. De volledige route van deze sleebaan is op papier vijftien kilometer lang. Alsof je van Rotterdam naar Zoetermeer sleet. Nu zit daar wat vissersoverdrijving achter, want alleen bij optimale omstandigheden haal je Grindelwald en zelfs dan, zegt Svenja besmuikt, haalt de route de dertien kilometer nog niet.

Slechte conditie

In Grindelwald begon de tocht. Dat is een ouderwets wintersportdorp, vol wintersportcliché’s. Zo zie je de helft van de mensen op skischoenen hiel-tenen, kun je overal kaasfondue eten en ruikt het overal een beetje naar Glühwein. Het dorp is omsingeld door een haag van enorme bergen van ruim drie kilometer hoog, en een paar boven de vier. Tot halverwege dragen die machtige pieken een jurk van naaldbomen, daarboven dikke, witte jassen.

De Faulhorn ligt aan de andere kant van het dorp, een iets lager stuk gebergte tussen Grindelwald en Interlaken in. Het uitzicht van daar op hun grotere broers als de Jungfrau en de Eiger is prachtig. Het weer dus ook, en het idee van een frisse wandeling om lekker te gaan sleeën was ook nog wel goed. Alleen mijn slechte conditie zit in de weg.

Vergeet niet dat je geen haast hebt!

Het Zwitserse toeristenbureau schreef vooraf: „Na een heerlijke wandeling kom je na ongeveer twee uur aan op de top van de Faulhorn.” De foto die ze meestuurden toont twee ongekreukte jonge vrouwen, die op het licht glooiende pad naar boven flaneren, met moeiteloos een sleetje achter zich aan. Ik denk regelmatig aan dat beeld als het touw van die looiige slee die ik achter me aansleep in mijn hand begint te snijden. Mijn grootste angst is op dit moment dat ik uitglijd, mijn slee loslaat en die in een van de vele afgronden verdwijnt om nooit meer teruggevonden te worden. Hoe kom ik dan nog beneden?

Op het ratelen van mijn hart en het kloppen van mijn slapen na, is het stil als we even rusten, zittend op de sleetjes. Een gat in het geluid zo diep als het dal onder ons. Maar we zijn niet alleen. Er is een vosje, drie berggeiten, en een klein groepje alpineskiërs dat in de verte een steile berghelling opgekropen is. En plots passeert ons een wandelende vrouw. De handen op de rug gevouwen, het touw van haar ouderwetse, houten sleetje ertussen geknoopt.

„Er is niet zoveel zuurstof hè?”, zegt ze terwijl ze langs schuifelt. We halen haar even later makkelijk weer in, maar we moeten vaak uitrusten, en telkens loopt ze dan weer langs ons in haar vaste tred. „Vergeet niet dat je geen haast hebt!” roept ze ons toe. Bij de derde keer vraag ik haar leeftijd. „Zeventig”, lacht ze met haar ogen dichtgeknepen tegen de zon.

Gids Svenja heeft het ook zwaar, wat me een beetje geruststelt: het ligt niet alleen aan mijn slechte conditie. Svenja is geboren en getogen in dit gebied. Ze kent dit pad zelfs goed, maar, geeft ze toe, dit is de eerste keer dat ze het in de winter loopt.

Koninklijke rust

We doen ruim een uur langer over de wandeling dan ervoor staat, maar dan bereiken we eindelijk de top van de Faulhorn. De laatste vijftig meter naar het eigenlijke startpunt, het hotel dat toch in de winter is gesloten, laten we voor wat het is. Hier is het uitzicht goed genoeg om ter plekke mijn geheugen te wissen. Zoals op een checkpoint in een computergame, kan ik hier na het sterven weer een fris leven beginnen.

Het is ongelooflijk dat er nog zo’n adembenemende plek is in het centrum van Europa waar geen lift of weg naartoe gaat. Zijn dit de beroemde, Bernse Alpen, waar het toerisme al zo lang het ritme bepaalt? Het is een potentiële toeristische toptrekpleister. Maar het is een welkom wonder dat hier geen gondel naartoe gaat, en dat je hier geen Bratwurst kunt kopen. Bij dit majestueuze uitzicht past een koninklijke rust.

Svenja zit al op haar slee. Ze geeft een korte uitleg, want veel is er niet te vertellen: je stuurt door met gestrekte benen je voeten in de sneeuw te steken. Met je rechtervoet in de sneeuw ga je die kant op, en andersom. Remmen doe je met allebei de voeten in de sneeuw.

Wild paard

Ik trek de jas en trui aan die ik kilometers lager al had uitgetrokken om wat hitte kwijt te raken, en zet m’n ski-bril op. De route begint meteen behoorlijk steil. Eerst een heel eind rechtdoor, daarna zigzaggend tussen de sneeuwvlaktes door. Ik knijp ’m een beetje. De sneeuw stuift op als ik m’n benen strek en mijn hakken af en toe de sneeuw laat raken om af te remmen, wat niet erg lukt. Over de eerste hobbels ga ik te hard, ik vlieg stukjes door de lucht terwijl ik het touw als de teugels van een wild paard in m’n vuisten geklemd houd.

Ik stop gewoon af en toe, oké? Om zeker te weten dat je niet dood bent.

Om ons heen staan bordjes die waarschuwen voor lawinegevaar. „Ik stop gewoon af en toe, oké? Om zeker te weten dat je niet dood bent”, zegt Svenja lachend. Ik lach ook. Maar nog geen minuut later kom ik met een vaart aan bij een bocht waarin je met de auto zou terugschakelen naar z’n één, en ik kan niet meer remmen met mijn legerschoenen.

Ik zet uit alle macht m’n hakken in de sneeuw en vlieg uit de bocht. Ik denk dat ik doodga. Gelukkig val ik vooral in de diepe sneeuw tegen een heuvel aan, in plaats van een heuvel af. De sneeuw zit in mijn nek, m’n broekspijpen, in m’n wenkbrauwen. Als ik opkrabbel en merk dat ik niets heb gebroken, zie ik dat ook Svenja uit de bocht is gevlogen. We lachen weer, maar nu minder hard.

Remmen is lastig, maar het is ook een beetje m’n eigen schuld. Het geeft een kick om op volle snelheid door de sneeuw te razen, en de bochten die ik tot nu toe niet haalde, bleken niet in een ravijn te eindigen. Dat ik te hard ga komt dus meer door overmoed, dan de sleeroute. Wie het voorzichtiger aan wil doen, kan hier best ook terecht. Je kunt bovendien een kortere versie van deze route doen die halverwege begint, zonder de zware wandeling.

Maar ik heb dat hele eind niet gelopen voor een halve route die minder hard gaat. Ik voer de snelheid liever op. Strakke bochten vervagen door snelheid en de opspattende sneeuw in m’n ogen. Bij de gevaarlijkere punten zijn soms heuveltjes gemaakt om op af te remmen, maar de meeste pak ik als schans. Die duidelijke waarschuwingen zijn er toch niet voor niets: soms houdt de berg naast het pad wel erg plotseling op.

De weg wordt papperig

Na ongeveer twintig minuten stoppen we voor een machtig stuk kaastaart bij bergrestaurant Bussalp, iets meer dan vier kilometer vanaf de start. De Big Pintenfritz begint zich hier een stuk minder big voor te doen. De route volgt vanaf hier de weg naar Grindelwald, en die wordt ook door bussen gebruikt. Bovendien begint hier met de flora, we kruisen de boomgrens, ook de dooi.

Het eerste stukje is nog te sleeën, als we de bussporen een beetje vermijden en de zijkanten van de weg pakken, maar al snel wordt de sneeuw te papperig en ploegen we door een grote bak schaafijs. Als het al lukt om wat te sleeën, krijgen we bij het remmen een gezicht vol blubber.

Dat de helft van de route nu te surfen is, daar kan niemand iets aan doen in half maart – en dat is eigenlijk ook wel fijn. Wie zou in zo’n mooi gebied sneeuwmachines willen?

We houden het zo toch nog ruim zes kilometer vol: stukje lopen, stukje modderhappen. Een straf is het nog altijd niet: de weg loopt door ansichtkaarten, door dichte naaldbossen en langs klassieke alpenweides. En naar beneden lopen over een stabiele ondergrond is niet zo lastig als de heenweg, ook al zou sleeën drie keer zo snel zijn gegaan.

Als we bij de bar van Weidli komen – een buitenbar aan een keet in de bocht van de weg, bijna bij Grindelwald – pakken we de bus naar het centrum. In de bus hangt een display die aangeeft dat ik hier een andere winter nog eens moet terugkomen: het is zeven graden boven nul.

Dit artikel is tot stand gekomen op basis van een reis die werd georganiseerd door het communicatiebureau van Zwitserland, My Switzerland. Myswitzerland.com/