Recensie

Het kind, de kogel en de marketing

Wapenindustrie Elke dag worden in de VS zeven kinderen doodgeschoten. Een wapengeschiedenis toont hoe een ‘gereedschap’ door lobby en reclame steeds meer als iets begerenswaardigs werd gepresenteerd. Inmiddels zitten wapens in het Amerikaanse DNA.

Illustratie Anne van Wieren

Zaterdag 23 november 2013 was op geen enkele manier een bijzondere dag in de Verenigde Staten. Ja het weer was verraderlijk: vies, koud, stormachtig en nat. Maar de meeste Amerikanen keken naar Fox News, precies zoals anders, en er werden die dag tien kinderen doodgeschoten.

Zo was er de negenjarige Jaiden, die ’s ochtends vroeg in Ohio de deur opende voor de gewelddadige vader van zijn halfbroertje. En was er de achttienjarige Gustin in North Carolina, die flirtte met het bendeleven en in de auto zat met een verkeerde vriend voor wie de kogels bestemd waren die Gustin uiteindelijk velden.

Voormalig correspondent van The Guardian in de VS Gary Younge ging de levensverhalen na van tien kinderen die in een willekeurig etmaal omkwamen door vuurwapengeweld. Het waren er op die zaterdag iets meer dan de zeven kinderen die gemiddeld op een Amerikaanse dag sterven door een kogel.

Younge’s Another Day in the Death of America komt aan als een nachtmerrie. Door de hartverscheurende rouw van de ouders van de kinderen, maar meer nog door de banaliteit van hun dood. Halverwege het etmaal, en halverwege het boek, vraagt in Houston het zestienjarige lefgozertje Edwin Rajo aan zijn beste vriendin Camilla of ze niet eens voor de gein het wapen van haar broer tegen zijn borst kan houden. ‘O shit, je hebt me geraakt’, zegt Edwin. ‘O, sorry’, zegt Camilla. Even later is hij dood.

Een paar uur eerder, in Michigan, belt de twaalfjarige Brandon 911 met de mededeling dat hij net per ongeluk zijn vriendje Tyler, 11, heeft doodgeschoten toen hij hem het geweer van zijn vader wilde laten zien. Even daarvoor belde Brandon zijn vader nog met de vraag of ze pizza mochten bestellen.

Nobele waarden

De door Younge (1969) beschreven kinderen zijn maar een fractie van de 33.000 Amerikanen die jaarlijks omkomen door kogels uit een van de rond 300 miljoen wapens in het land. De tien traumatische verhalen over hun achteloze dood en de paniek die erop volgt, staan in schril contrast met het reine, hoogdravende en overzichtelijke narratief dat de wapenlobby, aangevoerd door de National Rifle Association (NRA), uitdraagt over de Amerikaanse wapencultuur. Dat draait om de patriottische verdediging van het Tweede Amendement in de grondwet, waarin het recht op het dragen van wapens is vastgelegd, en om de wapenbezitter als verdediger van nobele Amerikaanse waarden tegen een abstract kwaad.

Wie zich afvraagt waar de Amerikaanse obsessie voor wapens vandaan komt, komt meestal hierop uit: het land is nu eenmaal gewapenderhand veroverd op mensen van een ander ras. Iets van de daaruit voortvloeiende paranoia en een zich overschreeuwend patriottisme moeten haast wel in het Amerikaanse DNA zijn blijven zitten. Hoe kan het anders dat wapenbeperking er onmogelijk blijkt?

Voorstanders van inperking wijzen naar de NRA, die Amerikaanse conservatieve politici stevig in haar greep heeft. De NRA is allang geen club meer van wapenbezitters die samen willen oefenen, maar de lange arm van de wapenfabrikanten die er miljoenen aan geven. De organisatie fungeert ook als hun bliksemafleider: de NRA is zichtbaar, de fabrikanten zelf blijven buiten beeld, en dus buiten schot van de morele verontwaardiging na weer een massa-schietpartij.

Precies daarom richt historica Pamela Haag (1966) in The Gunning of America haar blik op de industrie. Ze kreeg toegang tot het archief van Winchester en beschrijft via deze firma het ontstaan van de wapenindustrie, van de industriële revolutie tot na de Eerste Wereldoorlog. Al valt de periode ná de Tweede Wereldoorlog, die het relevantst is voor de situatie van vandaag, daardoor helaas buiten haar boek, toch geeft ook de focus op de eerste massaproductie van vuurwapens veel inzicht. Niet langer maakte een wapensmid één wapen als iemand er eentje nodig had. Nieuwe machines produceerden eerst tientallen, toen honderden wapens tegelijk, waarvoor een afzetmarkt nodig was. Het waren niet de cowboys die Amerika tot wapenland maakten. Het waren de wapenfabrikanten die hun producten ook in vredestijd wilden verkopen. Dat dit voor Amerikaanse lezers kennelijk géén open deur is, is een bewijs voor het succes van de door de NRA uitgedragen wapenmystiek.

De echte uitvinding van Samuel Colt en Oliver Winchester, schrijft Haag, bestaat niet uit de wapens die hun naam dragen, maar is de wapenmarkt: ‘Ze waren voorlopers als het ging om adverteren, massadistributie en marktsegmentatie’.

Haag probeert in haar boek de ondernemersgeest van grondlegger Oliver Winchester (1810-1880) te contrasteren met de Victoriaanse legende over zijn schoondochter Sarah, die het familiefortuin investeerde in een labyrintisch huis in Californië, vol doodlopende trappen en geheime kamertjes waar ze 38 jaar aan bouwde. Sarah werd, zo wil de legende, verteerd door schuldgevoel over het bloedgeld dat ze had geërfd. Het was alsof in haar ‘haunted house’ de geesten rondwaarden van de door Winchester-geweren gevallen doden.

Deze in Amerika klakkeloos geabsorbeerde wapenmystiek is een ‘culturele drug’

Maar over Sarah Winchester is weinig concreets bekend; Haag gaat voor een historica ver in speculatie, in een geforceerde poging om de zakelijke opeenvolging van uitvindingen en verkoopcijfers in haar boek te doorbreken.

Ondertussen moesten fabrikanten het aanvankelijk hebben van de overheid. Particuliere Amerikanen liepen niet warm voor geweren. Maar elders werd gelukkig altijd wel ergens gevochten. Winchesters verkooptalent Thomas Addis verkocht rond 1880 wapens van Ottomaans Turkije tot Cambodja. ‘Eskimo’s en Eilandbewoners in de Zuidzee kochten het geweer’, en het was bekend ‘op het Afrikaanse veld en in de Australische bush’, meldde het bedrijf zelf trots.

In het land dat zijn oorspronkelijke bewoners vrijwel had uitgeroeid en een Burgeroorlog had afgesloten, was een stabielere markt nodig om de Winchester Re- peating Arms Company draaiende te houden, realiseerde Winchester zich. Een nieuwe aanpak was al helemaal nodig omdat Amerika steeds verder verstedelijkte: in de post-frontier economie had je geen geweer nodig.

En dus besloot Winchester het geweer van ‘tool’ tot ‘totem’ te maken, schrijft Haag. ‘Wat eerst nodig was, moest nu bemind worden’. Alle middelen werden ingezet: niet alleen de nieuwerwetse reclame, maar ook pockets, en de film.

Paramilitaire burger-soldaat

Dat het geweer het Westen veroverde, schrijft Haag, is bijvoorbeeld een door de firma Winchester gestimuleerde mythe die het omgekeerde verhult. Het goeddeels fictieve ‘Wilde Westen’ van films en cowboy-verhalen fungeerde in de eerste helft van de vorige eeuw juist om het geweer te plaatsen in het hart van de Amerikaanse geschiedenis en nationale trots. De cowboy, in werkelijkheid een ongeschoolde arbeider, werd de held van deze advertorials: hij droeg het verweerde individualisme uit dat in de moderne loonslaaf het verlangen moest wekken naar het Winchester-geweer.

Het is extra jammer dat Haags boek ophoudt bij de Eerste Wereldoorlog; de Amerikaanse geschiedenis herhaalde zich immers nog eens met de rassenrellen in de jaren zestig, de Civil Rights Act (1964) en de Gun Control Act (1968). Daarna begon de NRA haar politieke lobby. En sindsdien ontwikkelde zich niet toevallig het wapen-narratief van vandaag, waarin de lonesome cowboy is verhevigd tot een ‘paramilitaire burger-soldaat’, die zijn familie en land moet beschermen tegen thugs, maar wiens grootste vijand misschien wel de overheid is, die hem de vrijheid om een wapen te dragen wil ontnemen.

In het verhaal van de wapenlobby zit duidelijk een racistische ondertoon

Dat er een racistische ondertoon in dit narratief zit, is duidelijk. De ‘aan de wet gehoorzamende’ wapenbezitter lijkt in de eerste plaats wit te zijn. De NRA was deze zomer uitermate traag met opkomen voor de Afro-Amerikaan Philando Castile, die een wapenvergunning had, maar door de politie werd doodgeschoten.

‘Een culturele drug’, noemt Haag de door veel Amerikanen klakkeloos geabsorbeerde wapenmystiek. Je kunt na de explosief gestegen wapenverkoop in de Obama-jaren stellen dat het vuurwapen voor een deel van de Amerikanen tot fetisj is geworden, en dat hun wapencultuur ontaard is in een cultus.

In haar slothoofdstuk doet Haag voorstellen om de industrie aan banden te leggen; misschien dat het argument van consumentenveiligheid kan helpen. Maar ze beschrijft in dat hoofdstuk niet hoe de NRA met haar politieke armslag de afgelopen decennia vrijwel iedere wet heeft kaltgestellt en in Republikeinse staten de ruimte voor het dragen van wapens zelfs heeft weten te vergroten.

Pijndrempel

Het is het boek van Younge dat duidelijk maakt waaróm consumenten- of slachtoffergroepen er niet in slagen het tij te keren. Het land lijkt zich te hebben neergelegd bij een ‘pijndrempel die moreel niet acceptabel is’, schrijft hij. Een wereld met minder wapens lijkt dusdanig ondenkbaar, dat een opstand ertegen zinloos voelt – net als een opstand tegen het verkeer, nog zo’n maatschappelijk fenomeen dat een hoge tol eist. En waarbij je steeds denkt dat het noodlot jou en de jouwen niet zal treffen.

Voor een groot deel van de Amerikanen klopt dat ook. Want anders dan in het verkeer, is het leed dat wapens veroorzaken niet eerlijk verdeeld. Wapenfabrikanten en de meeste aanhangers van de wapencultuur zijn wit. Daders en slachtoffers zijn veel vaker zwart.

Zwarten hebben een zes keer zo grote kans te worden doodgeschoten dan blanken, en schieten zelf ongeveer acht keer zo vaak iemand dood. Voor jonge zwarte mannen is de kogel de eerste doodsoorzaak. De meeste doden, ook in het etmaal dat Younge koos, vallen in arme, van drugs- en bendegeweld vergeven zwarte stadswijken, die in maatschappelijk opzicht ver verwijderd liggen van het welvarende, functionerende Amerika.

Het is voor veel Amerikanen makkelijk de schouders op te halen over jongeren die elkaar afmaken om drugs. Maar Younge citeert ouders en sociaal werkers die vertellen hoe de bendes kinderen al op de lagere school benaderen, hoe werkende alleenstaande ouders niet thuis kunnen zijn om hun tieners in toom te houden en hoe elke verkeerde tienerimpuls, met zoveel wapens in de buurt, fataal kan zijn.

‘Noch armoede, noch racisme stopt een geweer in iemands hand, of vertelt hem om het af te schieten,’ schrijft Younge. ‘Maar armoede en ongelijkheid voeden wanhoop, en segregatie is een barrière voor empathie.’

Haag en Younge begonnen hun boeken na de verschrikkelijke schietpartij in Newtown, Connecticut, waar Adam Lanza in december 2012 twintig jonge schoolkinderen en zes volwassenen doodschoot. Zelfs na de schokkende, zinloze dood van twintig witte zes- en zevenjarigen lukte het niet een wapenwet door het Congres te loodsen.

Externe kosten

Als deze twee boeken iets laten zien, dan is het hoezeer vuurwapengeweld inderdaad in het Amerikaanse DNA zit. Het is het product van Amerikaans kapitalisme en van slimme Amerikaanse marketingmethodes. Het wordt versterkt door Amerikaanse rassensegregatie en Amerikaanse economische ongelijkheid. En het wordt in stand gehouden door het hoogtij van lobbygeld in de Amerikaanse politiek.

Dat maakt Jaiden en de duizenden andere kinderen die sinds 23 november 2013 zijn omgekomen, tot, zoals het in economische termen heet, externalities – ‘externe kosten’. Tot schade, waar het verdienmodel verder niet onder lijdt.

‘Ik wilde schreeuwen toen ik dit boek schreef’, schrijft Younge, ‘Huilen naar de maan [...] om een rijke samenleving [...] die het zoveel beter kan en moet doen voor haar jeugd en kinderen.’