Schaatsen op natuurijs in Zweden: koud, mooi en levensgevaarlijk

Met een rugzak, ijspriem en karabijnhaak maakt Gemma Venhuizen een lange tocht op Zweeds natuurijs. Niet geheel ongevaarlijk, merkt ze.

Foto Istock, Illustratie Jenna Arts

Een hardgekookt ei. Roggebrood. Een thermosfles thee. Twee wafels met vossenbessenjam. Alles gaat in de veertigliterrugzak, boven op de waterdichte zak met reservekleding. Want het zal je maar gebeuren: midden in de Zweedse wildernis door het ijs zakken. De eerste helft van dit jaar verdronken in Zweden 61 mensen, een record sinds 2000. Een ongewoon groot aantal daarvan was door het ijs gezakt.

IJspriem mee voor noodgevallen

„Vergeet niet om de kruisbanden van je tas vast te maken.” Gids John Savelid van Naturguiden doet het ons voor. „Dan werkt de rugzak als een zwemvest.” Om in zo’n noodgeval weer op het droge te komen, zit er een set ijspriemen aan de schouderband bevestigd, en een karabijnhaak. „Als je zelf de kracht niet hebt om uit het wak te komen, dan werpen wij je een touw toe en trekken je.”

Ja, knik ik braaf, maar mijn blik dwaalt af naar de steiger waar we straks onze ijzers zullen onderbinden en vooral naar de bevroren vlakte daarachter. Zwart, kraakhelder, glad ijs, door dennenbomen omzoomd. Her en der een sneeuwplak. Na jaren sta ik op het punt een droom te laten uitkomen.

„Misschien iets voor jullie?”, schreef mijn tante in 1996 op een briefkaart aan mijn ouders en mij. Bijgevoegd een – vergeeld – artikel uit NRC Handelsblad: ‘Zweedse schaatsen en Hollandse hakjes’. Tien jaar oud was ik, en verre van blij met mijn schaatsverslaafde ouders. Vrijwel dagelijks maakten we in de kerstvakantie een tochtje: Botshol, de Eilandpoldertocht, het IJsselmeer. Op het ijs was het zo erg nog niet. Maar als ik na 35 kilometer mijn gevoelloze tenen warmwreef, hoopte ik op dooi. Zodat ik eindelijk met mijn buurjongetjes op hun Nintendo kon spelen.

Ruim een decennium ging daarna ijsvrij voorbij. En uiteraard ontstond juist in de afwezigheid het verlangen. Maar de strenge winters bleven uit. Ja, toen ik allang studeerde kwam de vrieskou mondjesmaat terug: een of twee tochtjes per seizoen. Een jaar of vijf geleden kwam ik de briefkaart van mijn tante weer tegen. Het liefst had ik meteen mijn schaatsen uit het vet gehaald. Maar door deadlines, geldgebrek en relatieperikelen stelde ik mijn Scandinavische schaatsdroom jaar na jaar uit. Tot de uitnodiging van Almgrens Travel kwam om mee te gaan op twee schaatstochten.

En nu bevind ik me hier, op het meer Båven, een paar uur rijden ten westen van Stockholm, voor een tocht van ongeveer 45 kilometer. John gaat ons voor het ijs op. Het onderbinden van de schaatsen is in feite onderklikken – minder romantisch, wel zo effectief. De geleende ijzers hebben langlaufbindingen, met één klik zit je voorvoet vast.

Mannen in nylon leggings

Ik schaats met vier Nederlandse mannen, allemaal achter in de dertig en gehuld in paars-wit nylon. ‘SV Pootjes Over’, staat op hun legging. Keurig op rij schaatsen ze weg, ik ben de hekkensluiter. Ik zet af met de twee oranje stokken – onwennig, alsof ik nooit eerder op het ijs gestaan heb. Handig bij tegenwind of oneffenheden, die stokken, zei John,. Mij brengen ze vooral uit balans. En waarom is die rugzak zo zwaar?

Niet te ver door je knieën, zei John voor vertrek, en prompt val ik bijna achterover. Ik krabbel wat voort, de handeling die tijdens oefenrondjes op de ijsbaan nog zo eenvoudig leek – lange slagen, hielen tegen elkaar – lijk ik opeens verleerd. Even vrees ik dat de paars-witte pakken in de verte zullen verdwijnen terwijl ik hier blijf klunzen, maar dan kijkt John om en komen de vijf mannen met een pootje-over-bocht mijn kant weer op.

Veters te los

„Je hebt je veters ook veel te los”, zegt de jongen die door zijn vrienden De Kolonel wordt genoemd. Direct knielt hij samen met zijn vriend Lexie voor me neer. Het stijve leer wordt aangetrokken, mijn voeten ingesnoerd en voilà: ik sta lang zo wankel niet meer op het ijs. Niet dat ik de anderen op topsnelheid kan bijhouden, maar af en toe draaien de vier een extra lus of zigzaggen ze wat („bochten zijn onze specialiteit”) terwijl ik met John rechtdoor schaats, zodat we toch gelijk op gaan. Linkerbeen, rechterbeen, linkerbeen, rechterbeen – langzaam krijg ik mijn ritme terug en durf ik om me heen te kijken. De wind blaast tranen in mijn ogen, ik hoor het ijs zingen. We passeren rotsen vol mos en uitgestrekte bossen. Een sauna-hutje midden op het ijs.

John laat me een stukje voor de rest uit schaatsen en even lijk ik het hele meer voor me alleen te hebben. Mijn vermoeide voeten en mijn stramme knieën voel ik niet meer. Mijn grijns lijkt bevroren op mijn gezicht.

„Tijd voor lunch!” roept John. Mijn ei laat zich door mijn koude vingers nauwelijks pellen. De bosbodem ruikt kruidig. Pas hier, op het eiland, valt op hoe stil het is: tijdens het schaatsen fluit steeds de wind. Na de pauze schaatsen we naar een kasteel. Het ijs voelt ribbelig. Bevroren golven? Gesmolten sneeuw, legt John uit. „Die bevriest vervolgens tot ribbels op het ijs.”

Een andere groep die een schaatstocht maakte in Zweden, bepakt en bezakt:

Aan het eind van de schaatsdag kleurt de lucht oranje. De wind is gaan luwen, in het ijs is geen scheur te bekennen. Boven ons cirkelt een zeearend.

Linkerbeen, rechterbeen, linkerbeen, rechterbeen – mijn schaatskadans zorgt ervoor dat ik vrijwel zonder inspanning vooruitglijd. Eenmaal terug bij de steiger oefen ik pootje-over. Alles om mijn tijd op het ijs zo lang mogelijk te rekken. Pas als de zon allang onder is, klauter ik aan wal.

De volgende dag ga ik op met 24 Nederlanders mee op een twee dagen durende tocht van Iceguide. Er zijn drie gidsen, zodat we ons kunnen opsplitsen in kleinere groepjes: gemakkelijk, medium, moeilijk. De lengtes van de tochten variëren maar gemiddeld schaatsen we beide dagen zo’n 50 kilometer. De schaatsmeren worden elke ochtend zo gekozen dat we altijd met de wind mee schaatsen. Ook de accommodatie is luxueuzer: we slapen in een prachtig slot, dineren in een zaal met kroonluchters en kunnen na het schaatsen de sauna in.

Voor de schaatsbeleving maakt het weinig uit of je Iceguide of Naturguiden kiest, merk ik tijdens mijn twee dagen met de nieuwe groep. Goed ijs, een mooi landschap, vakkundige gidsen: die ingrediënten zijn bij beide organisaties ruimschoots aanwezig.

Wind zorgt voor golven

De laatste dag is het kwik gestegen van een paar graden onder het vriespunt tot ruim boven nul. Het ijs is nog altijd dik genoeg – ten minste vijftien centimeter – maar de sneeuwplakkaten zijn gesmolten. Met als gevolg dat we op sommige plekken door een centimeters dikke laag water schaatsen.

De wind zorgt voor golven, het lijkt alsof we over een onbevroren meer voortbewegen. Onderweg komen we ijsvissers tegen. De eerste haalt een klein visje uit het door hem geboorde gat naar boven, de tweede heeft al een grote stapel baarzen naast zich liggen. In de verte is rook te zien. De buschauffeur (tevens een bekwaam schaatsend manusje-van-alles) is vooruit geschaatst naar een eilandje en heeft een kampvuur gemaakt.

Na het middageten (worstjes, marshmellows) op het meer Klammingen, valt alles op zijn plek. Wind in de rug, eindeloos zwart glad ijs. Voor het eerst in mijn leven schaats ik vlak langs een metershoge rotswand.

Door het ijs gezakt

Op het laatste meer, Visnaren, vlak bij Åkers Styckebruk, passeren we weer een rotswand. Of we er even langs mogen schaatsen, vraag ik aan gids Anna, voor een foto. Prima, zegt ze, wil ik dan meteen een groepsfoto maken? „Wacht, ga jij er maar even tussen staan”, zegt ze. Ik schaats naar de anderen toe, we schuiven een stukje op, nog iets dichter naar de rots. Het ijs is niet langer doorzichtig hier maar melkwit en bros. „Niet zo dicht bij de rots!” hoor ik Anna roepen, maar het is al te laat: samen met drie anderen zak ik door het ijs. Eerst tot mijn middel: het blok ijs waar ik op stond bevindt zich nog altijd onder me, en instinctief denk ik me erop te kunnen afzetten en zo weer uit het wak te klimmen. Maar dan schiet de minischots onder me vandaan en zink ik tot aan mijn nek. Niet kopje onder gelukkig: daar zorgt de rugzak voor.

Anna en de anderen steken de knaloranje stokken naar ons toe, blazen op hun fluitje voor versterking. Maar door de schrik en mijn verkleumde handen lukt het me niet de stok te omvatten: telkens weer glipt hij uit mijn vingers. Ik probeer me op eigen kracht uit het ijs te hijsen, maar de rand brokkelt af. Hoe lang zou het duren voor ik onderkoeld raak? Met een laatste krachtsinspanning lukt het me toch weer de stok te grijpen – en vast te houden. De anderen slepen me het wak uit, de ijsrand snijdt in mijn huid maar het deert me niet.

Eenmaal op het droge lig ik als een zeehond op mijn buik uit te hijgen. Dan word ik door de anderen naar de kant gebracht. Met vereende krachten wordt mijn natte legging afgestroopt, mijn t-shirt verwisseld voor een warme fleecetrui. Een slok thee, een handvol gedroogde bessen, de vraag of ik meteen naar de bus wil. Maar na dit koude avontuur wil ik niets liever dan de schrik weer uit mijn benen schaatsen. Nog even genieten van het Zweedse ijs.

Dit artikel kwam tot stand dankzij een reis die mogelijk werd gemaakt door Almgrens Travel, waar de tochten met Naturguiden en Iceguide geboekt kunnen worden. Zweedsschaatsavontuur.nl