Daarom vraag ik jullie: meer of minder fictie in de politiek?

Deze week: Wilders’ veroordeling en Asschers zege.

Ofwel: mag het in de campagne ook nog gaan over échte politiek?

Geert Wilders is ook maar een mens. Dus ik begreep het wel dat hij vrijdag, in zijn eigen You Tube-filmpje, zei dat de rechtbank met haar veroordeling de vrije meningsuiting van zijn kiezers had „ingeperkt”: de PVV-leider had nog geen tijd gehad Twitter te checken.

Het onderstreepte het hoge fictieve gehalte dat zijn politiek altijd gehad heeft. Zeker nu zijn doorbraak naar het allerhoogste nationale niveau – grootste partij – nooit dichterbij was, kan het geen kwaad daar nog eens bij stil te staan.

Natuurlijk: Wilders dankt die doorbraak aan zijn standpunten. En aan de idee dat ‘de elite’ hem het zwijgen wil opleggen.

Maar vreemd genoeg slagen we er als land amper in de pretenties die met zijn standpunten gepaard gaan, te zien voor wat ze zijn: vooral fictie. Je kunt ‘de elite’ net zo goed verwijten dat hem hierbij al jaren merkwaardig veel ruimte wordt gegund.

We hebben het allemaal gezien: hij zou gaan „regelen”, zei hij maart 2014, dat er „minder” Marokkanen kwamen. De uitspraak is eindeloos herhaald, geanalyseerd en afgekeurd – dit laatste óók door PVV’ers die nog steeds bepalende posities in zijn eigen partij bekleden.

Maar het hele punt is: ondanks alle ophef heeft Wilders niet de minste poging gedaan daadwerkelijk tot minder Marokkanen te komen. Een concreet plan, een serieus voorstel, een idee om de rest van de Kamer te overreden: hij heeft het niet eens ingediend.

Lucht was het. Een tekstje. Woorden die media, politici en andere burgers voorspelbaar in beweging brachten. Metadrama. Zoals Amerikanen zeggen: all talk, no action.

Dus het nationale gesprek moet misschien niet alleen gaan over de vrijheid van meningsuiting of het recht ‘het Marokkanenprobleem’ aan te snijden.

Het mag er ook weleens over gaan waarom wij, als land, in staat zijn tweeëneenhalf jaar te discussiëren over een uitspraak waaraan de betreffende politicus nooit enig gevolg gaf.

En daarom vraag ik jullie: willen jullie meer of minder fictie in de politiek?

Want dit was niet de eerste keer dat bij de PVV-leider de fictie het won van de werkelijkheid. De herhalingen van die beelden uit 2014 wekten bij voorbeeld de indruk dat hij destijds, na de gemeenteraadsverkiezingen, een zege vierde. Het was alleen niet zo: in de gemeenten waar hij meedeed, Den Haag en Almere, verloor hij stemmen.

Zoals hij trouwens, ondanks zijn fictieve winnaarsreputatie, bij alle verkiezingen sinds 2011 verloor - alleen GroenLinks deed het even slecht.

Dit is misschien nuttig om te onthouden bij de weer oplopende peilingen. De trend daarin betwijfel ik niet. Maar evengoed is het een feit dat Wilders bij alle verkiezingen sinds 2011 in peilingen beter scoorde dan in de stembus: ook op dat gebied wint de fictie het al jaren van de werkelijkheid.

Zo groeit het aantal bijna-feiten in zijn voordeel, mede omdat massieve openbare weerstand uitblijft. Sinds 2015 maakt hij misbaar over de komst van vluchtelingen. Iedereen kreeg van hem de schuld. Rutte bestelde de „testosteronbommen” zelf. Hij publiceerde Merkel met bloed aan haar handen, en bedankte haar, met Rutte, „voor het binnenlaten van terroristen”.

Maar toen het op daden aankwam, niet op twitteren, bleek Wilders echt zo’n krachtige leider niet. Buma (CDA) zette hem vorig najaar in de Kamer op zijn nummer omdat Wilders met zijn fractie geen kik gaf toen het kabinet instemming vroeg asielzoekerscentra sneller te bouwen met verkorting van de inspraakprocedures.

Uiteraard reageerde hij eerst afhoudend en bozig. Maar uiteindelijk moest hij toegeven dat hij de maatregel had gesteund, waarop Buma hem vloerde: „Het asielzoekerscentrum in de provincie is er mede dankzij de PVV.”

En alle stoerheid over gesloten grenzen en keihard optreden tegen (criminele) vluchtelingen liet onverlet dat hij in 2012, bij de laatste verkiezingen, een half miljard euro bezuinigen op veiligheid inboekte, en een half miljard op Defensie. Hetzelfde Defensie dat hij in 2015 aanwees om extra grensbewaking voor rekening te nemen.

Evengoed blijft het hem lukken de werkelijkheid achter zijn woorden te maskeren. Vraag hem wat ‘de-islamiseren’ is en hij zet je op je nummer. Ook hier weten we dankzij doorvragen van alleen Buma wat hij bedoelt: met de politie moskeeën sluiten en woningen binnendringen om korans in beslag te nemen, zo moest hij in september toegeven.

Intussen claimt hij dat zijn gammele fractie, na acht afvallers in zes jaar, eindelijk een eenheid is. Nog meer fictie.

Uit het requisitoir in de strafzaak bleek dat zelfs naaste medewerkers, zoals zijn tekstschrijver Paul Beliën en Martin Bosma’s rechterhand Van Zonneveld, verklaringen bij Justitie hebben afgelegd die belangrijk bijdroegen aan Wilders’ veroordeling: met zo’n eenheid heb je natuurlijk geen dissidenten meer nodig.

En ondanks al deze fictie zijn we nu, drie maanden voor de verkiezingen, terug bij de politieke gevoelstemperatuur van vóór april 2012, toen Wilders, met 23 zetels in de Kamer, ineens zijn gedoogsteun aan Rutte I introk.

Door zijn toedoen verloren, uiteindelijk, drie partijleiders – Maxime Verhagen (CDA), Jolande Sap (GroenLinks), Diederik Samsom (PvdA) – hun positie. Zij waagden het, met Rutte, wél verantwoordelijkheid te nemen voor bezuinigingen en hervormingen die de EU na de financiële crisis het land oplegde.

Hun val heeft ongetwijfeld te maken met de weerzin tegen die hervormingspolitiek, en met de onderschatting, door beroepspolitici, van die weerzin.

Maar het heeft óók met iets anders te maken: met de allergrootste fictie die Wilders, als mainstream medium (733.000 Twittervolgers), nu al jaren in stand houdt: dat hij wél ruggengraat zou hebben, en alle andere leiders slappelingen zouden zijn. Inzake het begrotingsbeleid was aantoonbaar het omgekeerde het geval.

Zo laat ’s mans fundamenteel unfaire gedrag ten slotte zijn sporen bij alle anderen na, waarmee hij de hele politiek naar beneden haalt. De mensen van Denk weten nu ook dat openbaren van bedreigingen en extra beveiliging, net als bij Wilders zelf, populariteit oplevert. Veiligheidsdiensten blijven deze openbaarmakingen afraden, maar de komende campagne zal blijken dat dit taboe ook bij anderen sneuvelt uit verlangen naar stemmenwinst.

En de nederlaag van Samsom als PvdA-leider, vrijdag, betekent bovendien dat een politieke school die dit land decennia heeft gekenmerkt, een school die het compromis als hoogste vorm van beschaving zag, mogelijk definitief aan zijn einde is gekomen.

Lodewijk Asscher is geen Diederik Samsom. Hij is bereid, zo is al gebleken, de premier met wie hij vier jaar werkte, voor mislukte cabaretier uit te maken. Het typeert hem dat hij, toen een krant laatst een groepsfoto van Rutte, Zijlstra, Samsom vroeg voor een nog te verschijnen inside story over Rutte II, besloot daar als enige niet aan mee te doen.

Ook hij gaat voor zichzelf. En voor een milde variant – ‘progressief patriotisme’ – van de identiteitspolitiek die Wilders al jaren aan de anderen opdringt.

De échte vraag voor de komende maanden lijkt me intussen of het in de campagne ook nog over ware politiek mag gaan. Niet over al die grote woorden en enorme verwijten die het zicht op de feiten nu al jaren belemmert.

Wél over bij voorbeeld de toestand zoals die in 2012 bestond, nadat Wilders eruit stapte. Over de vluchtelingendeal die Rutte voor elkaar kreeg, hoewel Wilders ertegen pleitte. Over het herstel dat optrad. Over de meerderheid die oplossingen in plaats van woede wil.

Een groot deel van de burgers heeft bezwaren tegen de huidige orde, dit moet elke politicus tot nadenken stemmen. Maar met als uitgangspunt dat politici bereid blijven risico’s te nemen ten koste van electoraal verlies, in plaats van zich moed toe te eigenen die, als het erop aankomt, pure fictie blijkt te zijn.