Opinie

Wilders vergiftigde het volk, goed dat rechter dat inziet

De veroordeling van Geert Wilders toont volgens aan dat de rechter niet buigt voor „demagogische kletspraat”.

Wilders pijnlijke veroordeling door de rechtbank Den Haag sluit naadloos aan bij de geest van de wetgever en de rechtspraak. Met betrekking tot de delicten waarvoor Wilders is veroordeeld, sprak minister Van Schaik (Justitie) in de jaren dertig over volksvergiftiging die haat en wrok zaait in de harten en die gevaarlijke stemmingen in een deel van het volk teweeg dreigt te brengen.

Begin jaren zeventig merkte minister Polak (Justitie) op dat belediging wegens ras mensen krenkt in wat in hun ogen het belangrijkst is.

Bij de totstandkoming van discriminatieverboden is er een stevige discussie gevoerd over de verhouding tussen deze antidiscriminatiebepalingen en het recht op vrijheid van meningsuiting. De Tweede Kamer was bevreesd dat groeperingen die racistische uitlatingen deden onbestraft zouden blijven. Algemeen was men van mening dat in het licht van de onuitroeibaarheid van racisme en vreemdelingenhaat, strafbaarstelling van racistisch getinte beledigingen een onontbeerlijke compensatie was voor het door haatspuwers berokkende leed.

Een politicus onwaardig

Vergelijkbare overwegingen komen tot uitdrukking in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over veroordeelde politici (de Belgische Féret, de Engelse Norwood en de Franse Le Pen). En ook in de motivering van het vonnis klinken deze achtergronden door. Wilders heeft zich volgens de rechtbank schuldig gemaakt aan opruiende, opzwepende uitlatingen en hij heeft gehandeld op een wijze een politicus onwaardig. De rechtbank verwijt hem met name – en terecht – dat hij de polarisatie in de samenleving heeft verhoogd. Wat mij betreft was hij ook schuldig aan aanzetten tot haat.

De schuldigverklaring zonder oplegging van straf, ook wel het rechterlijk pardon genoemd, staat wel in schril contrast met de pittige en voor een politicus zeer pijnlijke bewezenverklaring. Met haar overwegingen heeft de rechtbank Wilders scherp de les gelezen. Mij had het beter geleken wanneer de rechtbank hem, overeenkomstig de pittige verwijten, ook een pittige straf had opgelegd, een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dat de rechtbank Wilders kapittelde over zijn ‘neprechtbank’-uitspraak is volkomen terecht. Contempt of court vormt naar Engels recht een misdrijf dat met gevangenisstraf kan worden bestraft. In Nederland kennen we dat niet, maar de Nederlandse wet voorziet wel in mogelijkheden om een verdachte die zich aan contempt of court schuldig maakt, tot de orde te roepen. Zo kan hij de zaal worden uitgezet.

Zelfs Nixon verklaarde…

Voor de beoordeling van dit vonnis is van belang dat het hier gaat om het handhaven van open wettelijke normen. Groepsbelediging en aanzetten tot haat of discriminatie bijvoorbeeld, moeten door de rechter worden ingevuld. Die markeert hierbij van geval tot geval de grens van het al dan niet toelaatbare. Dit heeft de rechtbank op uiterst gewetensvolle en heldere wijze gedaan.

Het invullen van zo’n open norm is niet gemakkelijk, maar komt in de rechtspraktijk veelvuldig voor. De rechter doet dit dagelijks met open normen als ontucht, mishandeling, en uitbuiting van prostituees, om maar een greep te doen. Bij de grensafbakening tussen enerzijds aanzetten tot haat of discriminatie en anderzijds vrijheid van meningsuiting moet de rechter zich overeenkomstig Europese rechtspraak realiseren dat het recht een levend instrument is dat geïnterpreteerd moet worden naar present day conditions. Teneinde deze nader te concretiseren heeft het Europese hof in de Féret-zaak benadrukt dat het lidmaatschap van een parlement niet moet worden beschouwd als een verzachtende omstandigheid die een politicus minder aansprakelijk maakt. Het hof acht het juist van wezenlijk belang dat politici in hun openbare uitspraken woorden vermijden die onverdraagzaamheid zouden kunnen aanwakkeren.

Met haar vonnis heeft de rechtbank in kraakheldere bewoordingen duidelijk gemaakt dat de ‘minder, minder’-uitspraak, met de onheilspellende toevoeging „dat gaan we regelen”, geschikt is om te leiden tot volksvergiftiging en gevaarlijke stemmingen ten opzichte van een groep mensen in onze samenleving. De niet mis te verstane boodschap luidt dat politici ook in het heetst van hun politieke strijd onderworpen zijn aan de Nederlandse wet. Een politicus mag heel veel zeggen, maar ongenuanceerd groepen mensen beledigen en discrimineren mag hij niet. Zelfs de advocaat van Richard Nixon verklaarde: „The president is not above the law.” Welnu, ditzelfde adagium heeft de rechtbank toegepast.

Een volksdwaling

De zienswijze van de rechtbank sluit ook aan bij het gelijkheidsbeginsel van onze zo gekoesterde grondwet en mensenrechtenverdragen. Een politicus die een strafbaar feit pleegt, dient gelijk ieder ander berecht te worden door het orgaan dat de Grondwet daarvoor aanwijst: de rechterlijke macht. De volksvertegenwoordiging mag in zo’n geval niet op de stoel van de rechterlijke macht gaan zitten. De Tweede Kamer is immers geen Nationale Conventie uit de tijd van Lodewijk XVI. En andersom moet de rechterlijke macht los van overwegingen van politieke opportuniteit rechtspreken.

Lees ook het opiniestuk van Thierry Baudet: Nu gaan meningen ondergronds

De rechtbank Den Haag heeft ervan blijk gegeven het hoofd koel te hebben gehouden. Zij is niet gezwicht voor de demagogische voorstelling van zaken door Wilders, die in zijn geslepen laatste woord aanvoerde dat een veroordeling van hem een veroordeling van een groot deel van het Nederlandse volk impliceert. En terecht. Want zelfs al zouden alle PVV-stemmers Wilders’ ongenuanceerde strafbare uitlatingen onderschrijven, een volksdwaling in het recht betekent nog niet dat onze onafhankelijke rechter zo’n dwaling moet accepteren. De rechter is immers onafhankelijk en voor zover dat besef nog niet volledig is ingedaald: deze onafhankelijkheid geldt ook ten opzichte van politieke bewegingen. Met demagogische kletspraat moet je bij de rechter dus niet aankomen.