Column

Bestuur van de P.C. Hooftprijs, schaf de oormerken af!

Een oproep aan het bestuur van de mooiste prijs van het land.

Ik denk toch dat het Brouwers wordt. Of Etty? Mak? Koot? Barnard? Februari? U heeft vast geen idee waar ik het over heb en dat is een goed teken. Want: hoe belangrijker de literaire prijs, hoe kleiner het trammelant vooraf. Er is geen genomineer, gestem (vergeet u niet de NRC Boekenwedstrijd, die loopt tot maandagmiddag) of gewed. De bookies slapen zacht. Het enige wat er staat te gebeuren is dat er maandagavond ergens een telefoon overgaat, een schrijver zich van zijn Macbook losweekt, schor zijn naam zegt (de hele dag nog geen levend mens gesproken, natuurlijk) en dan te horen krijgt: ‘U heeft de P.C. Hooftprijs gewonnen.’

Maar er is een grote kans dat Brouwers – als hij het wordt – niet eens zo blij is. Aanleg voor contramine, u weet wel, maar ook: de Hooftprijs die dit jaar wordt uitgereikt is die voor ‘beschouwend proza’. En Brouwers beschouwt zichzelf in de eerste plaats als romancier. Zoals Gerrit Komrij ooit mokkend constateerde dat hij de prijs liever voor zijn gedichten had gekregen dan voor zijn essays. De essayprijs geldt – ten onrechte, maar ja – een beetje als troosthooftprijs.

Al jaren wordt de P.C. Hooftprijs toegekend volgens een ijzeren ritme, waarin achtereenvolgens poëzie, proza of essay aan de beurt is. Eigenlijk zijn er dus drie losstaande prijzen. Bij de poëzie-laureaten loopt het wel (volgend jaar Jansma, Knibbe, Lampe of Michel?), bij de prozaïsten is het dringen, terwijl er bij de essayisten diep in de hoge hoed moet worden getast. Want hoe literair is de geweldige socioloog Abram de Swaan (2008) eigenlijk? En moesten Arthur Lehning (1999), Sem Dresden (2002) en Frédéric Bastet (2005) alle drie de belangrijkste Nederlandse literatuurprijs krijgen? Terwijl bijvoorbeeld Marga Minco (96) ’m nog steeds niet heeft. J.J. Voskuil, Doeschka Meijsing, Tip Marugg, Willem G. van Maanen en Helga Ruebsamen stierven zonder het beeldje van P.C. Hooft.

Dat zijn nog maar de gemiste kansen uit het verleden. De wachtlijst van zeventigplussers stroomt sneller vol dan de rollatorzaal van een bejaardentehuis op kerstavond: Frida Vogels (86), Jan Siebelink (78), Wessel te Gussinklo (75), Margriet de Moor (75), Tim Krabbé (73), Maarten ’t Hart (72), Kees ’t Hart (72), Nelleke Noordervliet (71), Mensje van Keulen (70). Ze hoeven misschien niet allemaal bekroond te worden voor ze bij de Grote Lezer worden geroepen, maar een paar toch wel. En weet u wie er volgend jaar vijftig wordt? Tommy Wieringa!

We hebben geen tijd te verliezen. Dus een oproep aan het bestuur van de mooiste prijs van het land: schaf de oormerken af – er zullen heus nog dichters en essayisten worden onderscheiden. Bekroon jaarlijks één geweldige schrijver. Houd geen rekening met de vraag of haar regels rijmen of zijn verhalen verzonnen zijn. De meeste schrijvers weten dat zelf vaak ook niet meer. En dat zijn de leuksten.