Zure vrucht

Twee dames van een jaar of zestig schuifelden kwekkend arm in arm door een met kerstlampjes versierde winkelstraat. Ik stond in deze straat uit te rusten tussen mijn zware boodschappentassen, omdat ik klaarblijkelijk op een leeftijd gekomen ben waarop ik last van kwaaltjes begin te krijgen.

Dit besef was op mij neergedaald toen ik onlangs lunchte met mijn beste vriend. Gesprekstechnisch waren we tijdens ons broodje niet veel verder gekomen dan zijn slokdarmprobleem (hij had net een nacht op de eerste hulp doorgebracht omdat een stuk vlees van geen wijken wilde weten) en het bespreken van mijn verkruimelde schouder. En dat terwijl hij er, vanwege de breuk in dat ding en het rondspattend maagzuur dat hem dientengevolge teisterde, erg lang over had gedaan om de garnalenkroketten middels minuscule hapjes in zijn protesterende lichaam te krijgen.

Voor een bloemen- en plantenwinkel hielden de twee dames stil om zwijgend naar wat potten met kerststerren te kijken die op de grond voor de winkel stonden. Nog immer gearmd duwden zij hun kinnen in hun nekken om de planten in zich op te nemen zonder te hoeven bukken. De kleinere van de twee, die zichzelf in vergelijking met de andere dame maar karig versierd had, maakte zich los en waagde toch de afdaling naar beneden. „Huuuh khu” klonk het vanuit haar keel toen ze eenmaal goed door de knieën was. Ze hield haar evenwicht met één hand op de stoep en betastte met de andere de ruwe pot met glittersmeersel waar de plant in stond. „Ja…” zei ze inademend.

Ze leek te wachten op meer woorden over de plant, of de pot. Woorden die het bukken de moeite waard zouden maken, maar er kwam niks. Als een beteuterde kleuter zat ze tussen de kerststerren. De andere vrouw keek op haar neer en deed haar best om met haar kin nu ook haar mondhoeken in haar nek te doen verdwijnen. Ze was er goed in. De kleinere vrouw hield haar vrije arm omhoog ten teken dat de vrouw met de nek haar overeind kon hijsen. De Nek twijfelde kort en trok haar toen rechtop terwijl ze als een zure vrucht de straat afspeurde. De kleinere vrouw stond weer en uit haar keel klonk nog wat „hhnk kh” terwijl ze haar jas recht trok.

De Nek keek haar aan, maar keek tegelijkertijd op haar neer. En niet alleen vanwege het lengteverschil. Er viel een stilte. Een onheilspellende stilte. „En?”, kraste De Nek ineens, „Ben je een beetje blij met je leventje?” Waar ik even eerder nog stond te mijmeren over de voordelen van een omaboodschappentas op wieltjes, vloog ik nu in gedachten Matrix-style, 360 graden om de dames heen. De kleine vrouw was versteend door vertwijfeling. Hoe bedoelt ze dit?

De Nek had haar mondhoeken uit haar nek getoverd voor een gefossiliseerde glimlach die interesse veinst. Uit haar samengeperste lippen sijpelde citroensap dat het licht van de kerstlampjes kunstig weerkaatste. Ik zou dit aan mijn beste vriend kunnen vragen, dacht ik, wanneer hij bijna stikt in een stronkje broccoli. „En, ben je een beetje blij met je leventje?” En dan zou ik net zo’n trut zijn.