Recensie

Zonder ‘wasta’ geen leven in de Arabische wereld

Dictators

Het is bon ton om pessimistisch te doen over de Arabische Lente en de wenselijkheid van democratie in de Arabische wereld, maar is dat terecht en waarin zijn die ideeën geworteld?

Egyptisch leider Gamal Abd El-Nasser (de ‘goede dictator’) Foto Wikimedia Commons

De Egyptische leider Gamal Abd El-Nasser (de ‘grondlegger’) is het schoolvoorbeeld van de ‘goede dictator’. Het is een concept dat sinds de chaos van de Arabische Lente opnieuw opgang maakt, en dat door de Vlaming van Tunesische afkomst Chams Eddine Zaougui (1978) in zijn boek Dictators wordt uitgewerkt.

Experts zullen weinig opsteken van zijn goed geschreven boek, maar de geïnteresseerde leek die naar houvast zoekt te midden van de dagelijkse onheilsberichten uit het Midden-Oosten heeft er wel veel aan. Dictators staat namelijk niet vol met meeslepende getuigenverslagen vanaf het Tahrirplein in Kaïro of intieme portretten van Egyptische activisten of Syrische rebellen, maar biedt juist de historische context waarbinnen de ontwikkelingen sinds de Arabische Lente geplaatst moeten worden.

Dat Zaougui de tijd neemt om Nasser (1918-1970) neer te zetten, is omdat hij zo aantoont welk sociaal contract hij met de Egyptenaren had en welk probleem daarop volgde. ‘In ruil voor werk, gratis onderwijs en meer landbouwgrond eiste Nasser gehoorzaamheid.’ De Arabische leiders die na hem kwamen – in Zaougui’s klassement de ‘verraders’ – namen alleen zijn patrimoniale staatsstructuur over minus het sociaal contract. ‘Dictators graaiden schaamteloos in de staatskoffers terwijl de bevolking verpauperde.’

Zaougui heeft een prettige manier gevonden om ingewikkelde concepten uit te leggen. ‘Misschien heb je dit al eens meegemaakt: je staat in de rij bij de douanecontrole van een Arabisch land en plots steekt iemand je voorbij. Zomaar.’

Dat is wasta, Arabisch voor invloed, connecties. In het tijdperk van de ‘verraders’ is dit de manier van overleven in de Arabische wereld. Het is hoe dictators zich verzekeren van loyale onderdanen. Voor wie geen wasta had, was er de gevangenis. Toen dat niet meer werkte was er de Arabische Lente.

Het is nu bon ton om pessimistisch te doen over de Arabische Lente en de wenselijkheid van democratie in de Arabische Wereld. Zaougui maakt in dat verband – niet als eerste – een vergelijking met de Franse revolutie. ‘De Franse revolutie was niet één gebeurtenis... Het was een periode van onzekerheid, frustraties, chaos, oorlog.’

Wil dit zeggen dat het toch nog goed komt in de Arabische wereld? Niet noodzakelijk, besluit Zaougui. ‘Er is geen historische wetmatigheid die maakt dat na jarenlang lijden en ellende een betere periode aanbreekt.’

Toch ziet hij hoop: in Egypte, waar president Sisi, ondanks zijn aanvankelijke populariteit, rekening moet houden met de publieke opinie. Zoiets was ondenkbaar onder Mubarak. Of neem Syrië, waar burgeractivisten in extreme omstandigheden blijven werken aan een betere samenleving.

Een nieuw inzicht in het waarom van het extremisme reikt Zaougui niet aan. Wel waarschuwt hij tegen al te simplistische oplossingen. Politici die opnieuw pleiten voor samenwerking met sterke leiders in de strijd tegen het terrorisme doen er goed aan zich te herinneren dat veel van die leiders het jihadisme juist hebben gebruikt, soms zelfs aangewakkerd, als onderdeel van hun eigen cynische machtsspel. ‘Zulke leiders zullen nooit een deel van de oplossing zijn. Ze zijn een deel van het probleem. Sterker: ze zijn het probleem.’

    • Gert Van Langendonck