Interview

Voor de ooit machtige gassector is hooguit nog een bijrol weggelegd

Han Fennema, topman Gasunie

De aardbevingen in Groningen gaven het imago van de gassector een flinke knauw. Wat moet die sector in de vrijwel aardgasloze toekomst die minister Kamp deze week aankondigde? „Gas aanbieden als maatwerk”, zegt Gasunie-topman Han Fennema.

Han Fennema: „Vroeger waren de producenten van gas en elektriciteit volstrekt gescheiden. Nu zie je dat ze naar elkaar toe groeien.” Foto Kees van de Veen

De dagen dat de gasbazen wisten wat goed was voor het land en wat niet, zijn definitief voorbij. Nederland koerst af op een vrijwel aardgasloze toekomst, maakte minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) deze week bekend. Voor de ooit machtige gassector – van producenten tot industrie en de platforms op zee – is hooguit nog een bijrol weggelegd. „En dat was even wennen”, zegt Han Fennema, baas van de Gasunie en voorzitter van de belangenvereniging van de gassector, KVGN.

De Groningse aardbevingen hebben het imago van de Nederlandse gassector een flinke knauw gegeven. Maar de internationale afspraken om in 2050 een economie te bereiken die zo goed als geen CO2 meer uitstoot, hebben mogelijk nog verder strekkende gevolgen. Valt er voor de gasindustrie straks nog wel wat te doen?

Fennema, die zichzelf aanduidt als „gasburgemeester”, is vastberaden om een rol voor zijn achterban te behouden. „Niet door vanuit een ivoren toren te roepen dat gas de oplossing is voor alle problemen, zoals vroeger, maar door gas aan te bieden als maatwerk. Als alternatief waar duurzame energie niet volstaat.” Het eind vorig jaar gesloten klimaatakkoord van Parijs is zijn uitgangspunt.

Het kan voor u dus geen verrassing zijn dat er straks niet meer automatisch in elke nieuwe woning een gasaansluiting komt?

„Nee, de aansluitplicht was er om bewoners de garantie te geven dat ze werden aangesloten op het gasnet. Dat ervoor in de plaats een recht komt op aansluiting op een energienet vind ik heel logisch.”

Ook in vervoer lijkt geen belangrijke rol weggelegd voor het aardgas.

„Voor wat het personenvervoer betreft, vind ik dat eveneens logisch. Wij hebben wel een iets andere visie op het scheepvaartverkeer en het zware vrachtverkeer dan de minister. Daar is elektriciteit eigenlijk geen optie. Vloeibaar gas (lng) kan voor die transportvormen een goede overgangsbrandstof zijn. Voor de scheepvaart misschien zelfs ook wel voor de langere termijn, met bijvoorbeeld bio-lng.”

De industrie en de energiebedrijven zijn uw belangrijkste afnemers. Daar gaat 60 procent van het gas naartoe. Maar die bedrijven moeten ook vergroenen.

„Die tak van sport wordt het lastigst om te verduurzamen. Wij zullen in toenemende mate groen gas uit biomassa gaan leveren. Maar er zal ook nog CO2 moeten worden opgevangen en opgeslagen, en we moeten het emissiehandelssysteem (ETS) repareren zodat er CO2-prijzen komen die de industrie echt aanzetten tot minder uitstoot.”

Dat gebeurt niet vanzelf. Daarvoor zijn politieke besluiten nodig in Brussel en Den Haag. Daar zijn ze met heel andere zaken bezig: minderheden, migratie, veiligheid. Lobbyt u wel hard genoeg?

„Ik aarzel of wij die rol nog moeten spelen. Een lobby van onze kant hoe bijvoorbeeld een klimaatwet met jaarlijkse reductiedoelen eruit zou moeten zien? Ik weet het niet.”

De gassector past bescheidenheid?

„Onze rol is na de problemen met de gaswinning in Groningen wel wat bescheidener dan hij was. Bovendien neemt ons marktaandeel af. Over vijftien jaar verkopen we minder aardgas dan nu. Maar we hebben wel de ambitie om in de energietransitie een rol te blijven spelen.”

Hoe dan?

„Door maatwerk te leveren. Bestaande infrastructuur kunnen we bijvoorbeeld zinvol blijven gebruiken. Nu lopen er pijpleidingen van gasvelden naar de industrie. Maar die kunnen we straks ook omgekeerd gebruiken om opgevangen CO2 van de industrie terug te voeren naar lege gasvelden. Hergebruik dus van bezittingen die we toch al hebben.”

Geldt dat ook voor de infrastructuur op zee?

„Die kun je inzetten om elektriciteit te vervoeren van windparken die ver op zee liggen. Je kunt een windpark aansluiten op een oud platform waarop je een fabriek zet om elektriciteit om te zetten in waterstof, die je vervolgens door een bestaande pijpleiding naar het vaste land vervoert.”

En concreet voor huishoudens?

„Wij ondersteunen nu de ontwikkeling van een hybride warmtesysteem: een elektrisch aangedreven warmtepomp die warme lucht uit de buitenlucht haalt ondersteund door een kleine hr-ketel. Die warmtepomp werkt als een omgekeerde koelkast. Met die warmtepomp kun je een goed geïsoleerd huis 80 procent van de tijd verwarmen, maar als het in de winter koud is valt er geen warme lucht meer van buiten te halen en kun je die hr-ketel gebruiken. Je kunt daar ook elektriciteit voor gebruiken, maar dat zou betekenen dat je op koudere dagen ineens enorm veel stroom van het net moet halen. In plaats van het elektriciteitsnetwerk veel zwaarder te maken om die klap op te kunnen vangen, kun je ook een beetje groen gas gebruiken. Dat kost de samenleving veel minder.”

Laat de Energieagenda van Kamp nog wel ruimte voor gas in de toekomst?

„Zeker. Het stuk stelt dat er nieuwe technieken ontwikkeld moeten worden, bijvoorbeeld voor groen gas: biogas of waterstof. Dat moet vooral naar transport en industrie gaan, maar ook naar de gebouwde omgeving. De minister spreekt van ‘opschaling van productie’’. Daar zijn wij mee bezig.”

U loopt 25 jaar mee in de energiewereld, wat is er veranderd?

„Vroeger waren de producenten van gas en elektriciteit volstrekt gescheiden. Nu zie je dat ze naar elkaar toe groeien.”

Een ontzuiling van de energiesector?

„Elektriciteit, gas en warmte staan niet meer los van elkaar. Iedereen ziet dat het energiesysteem enorm verandert. Er wordt meer samengewerkt, bijvoorbeeld bij die hybride warmtepomp. Of we dat nou leuk vinden of niet, we moeten samen aan de bak om relevant te blijven tot 2050. Bovendien hebben we een klimaatneutrale energievoorziening nog veel te bieden.”