Tien cabaretiers over Toon Hermans: ‘Hij speelde als een koorddanser’

Jubileum Tien collega’s – de nieuwe generaties – vertellen in hoeverre Toon hen heeft geïnspireerd. Hoe kijken cabaretiers nu naar zijn liedjes en conferences?

Foto's ANP & Merlijn Doomernik
Lees ook het profiel van Toon Hermans of volg onze minicursus in tien grappen: Toon Hermans voor beginners
  • Freek de Jonge (1944)

    Freek de Jonge

    „Op mijn twaalfde zag ik Toon voor het eerst op tv en dat was een nogal intense ervaring. Zijn kracht ligt in de zuiverheid van het uitoefenen van zijn vak. Hij vond een vorm die gelijk lag met wie hij was. Hij hechtte niet aan belerend, maatschappijkritisch cabaret. Het is dada, Beckett, maar dan, omdat hij zich rekent tot de variété, gericht op de lach.

    „Toon inspireerde mij om cabaret te maken, maar ik had natuurlijk niet de capaciteit om hem te imiteren. Dus terwijl ik min of meer dacht aan hem, ontwikkelde ik een eigen stijl. Af en toe voel ik wel in mijn werk dat ik in zijn modus schiet, of schoot. Voornamelijk als ik uitkwam op oeverloos gezwets dat aan het niets raakt, waarin het een het ander uitlokt en je je verhaal almaar uitbreidt en je je punt verliest. Toon heeft wel aangegeven en dat heb ik zelf ook ervaren, dat zich in die oeverloosheid een nervositeit bij het publiek begint te manifesteren: hoe moet dat aflopen? Alsof ze keken naar een balancerende koorddanser. Het publiek geeft met zijn gelach aan hoe spannend dat is. Dat gestuntel op dat touw werkt komisch.”

    „Of zijn werk de tijd overleeft, weet ik niet. Vergeten worden gaat tegenwoordig razendsnel. De act met de stoel van zijn zuster uit zijn eerste show vind ik geniaal, maar jongeren kijken daar toch naar alsof ze water zien branden, omdat het tempo en de toon zo anders zijn. Mijn zoon ging op een gegeven moment Elsschot lezen, maar die kan de tijd waaruit die ironie van dat werk voortkomt niet plaatsen en dan gaat zo’n boek gewoon verloren. Humor is tijdgebonden.

  • Youp van ’t Hek (1954)

    Youp van 't Hek

    „Toon heeft zeker invloed gehad. Hij heeft mij als twaalfjarige het toneel opgetrokken. Ik zag hem spelen in Carré en dacht de hele voorstelling: dit wil ik later ook. Mensen heel hard laten lachen. Lachen om alles en om niets.

    „Zijn oeuvre moet je in zijn tijd plaatsen. Toen was het leuker dan nu, maar ik vind het nu nog steeds ontzettend leuk. Er is nooit meer een artiest geweest die zo magistraal kon timen en Carré zo simpel kon omtoveren in een kroegje. Elk aanstormend talent raad ik aan: veel Toon kijken. Niet imiteren, maar gewoon kijken en leren. En weet dat alles, ook de improvisaties, minutieus vastlag.

    „Niet lang voor zijn dood heb ik een middag met hem zitten bomen. Bomen over het vak. Hij zei zulke rake en simpele dingen. Een wijze vakman. Een absolute perfectionist. En we hebben die middag ook nog gelachen.

    „Dat gesprek ging erover dat je optreedt voor (in Carré) 1.800 mensen en dat je die allemaal op hetzelfde moment dezelfde kant op moet laten kijken. Waardoor je de grap kan maken. De zaal aan een touwtje hebben. De zaal een bepaalde kant opsturen. Ons gesprek ging toen over een peertje in mijn decor. Dat ging branden waardoor je zag dat ik in een lamp hing. Daarmee opende ik mijn programma. Zonder lamp werkte dat niet. Ik was te donker. Men keek niet naar die hoek van de bühne. Een zacht gloeiend peertje deed wonderen.”

  • Brigitte Kaandorp (1962)

    Brigitte Kaandorp

    „Bij ons thuis, in de jaren 70, werden zijn platen gedraaid en keken we als gezin naar zijn shows, maar toentertijd had ik nog geen flauw vermoeden dat ik zelf ook het toneel op zou gaan. Ik vond het wonderbaarlijk en intrigerend wat hij deed, maar ik keek er verder niet vakmatig naar. Pas later raakte ik gefascineerd door zijn stijl. Hij had een fenomenale timing, serveerde zinnen rustig uit en durfde stiltes te laten vallen. Ogenschijnlijk deed hij dat achteloos, maar als collega weet ik dat ondertussen al zijn zintuigen en zijn intuïtie gericht waren op het exact raak plaatsen van die zinnen. Dat lukt alleen als je honderd procent geconcentreerd en ontspannen bent.

    „Ik durf niet te zeggen dat ik door Toon Hermans beïnvloed ben, daarvoor was denk ik de door mij gevoelde kloof met hem en zijn generatiegenoten te groot, toen ik op m’n twintigste begon. Inmiddels voel ik me qua stijl erg aan hem verwant. Ik lig op het toneel regelmatig voor pampus op een bank, over een barkruk of op de grond, bozig zinnen uit te serveren.

    „Ik weet dat er collega’s zijn die minutieus de techniek van de grote namen, waaronder die van Toon Hermans, bestuderen. Ik bekijk eerlijk gezegd bijna nooit iets. Maar als ik Toon Hermans op tv voorbij zie komen, zit ik altijd onmiddellijk gebiologeerd te kijken. Overigens zie je altijd zijn hoogtepunten (Snieklaas, Ons Genoegen, Tennisracket, Doif is dood, de Ornitholoog), maar hij heeft natuurlijk veel meer gemaakt.

    „En die vergetelheid: hoe erg is dat, vraag ik me af. Je ontkomt er niet aan en dat is maar beter zo.”

  • Hans Teeuwen (1967)

    Hans Teeuwen

    „Toen ik jong was heb ik veel naar Toon gekeken. Ik keek naar alles, maar hij was de beste. Hij acteerde beter, hij kon beter timen en deed ook absurdistische nummers. Hij was meer een artiest dan Wim Kan en meer een komiek dan Wim Sonneveld.

    „Een keer speelde ik in Breda, terwijl hij in de grote zaal stond. De theaterdirecteur had hem gevraagd of hij de nieuwe generatie volgde. Toen zei Toon: ‘Neuh.’ Maar hij kende een wat zigeunerachtige jongen die opkwam en deed alsof hij niet zenuwachtig was. Die vond hij goed. Waarop de directeur zei: ‘Dat is Hans Teeuwen. Die is er vanavond. Wilt u hem ontmoeten.’ Zei Toon: ‘Nee, wat moet ik met zo’n jongen?’ Hij heeft ook wel eens gezegd dat ik in mijn stukje over de Bijbel al die prachtige verhalen belachelijk maakte. Dat vond hij niet kunnen. Hij zei: ‘Als hij dat had gezegd over het jodendom dan was hij dezelfde dag nog opgepakt wegens antisemitisme.’

    „Hij is een beetje Sinatra-achtig in de manier waarop hij zijn rust bewaart. Ik hoorde dat Hermans ook een Sinatra-fan was, dus dat verbaasde me niks. Je kan zeggen dat we daarin geestverwanten zijn.

    „Ik vrees toch dat de aandacht voor hem stopt bij de generatie onder mij. De nieuwe generatie heeft niet veel op met het tempo en de kneuterigheid. Het mierzoete en het tempo van de liedjes kan de tands des tijds ook niet doorstaan. Mensen jonger dan ik vinden daar niet meer zo veel aan. Er spreekt ook vaak een kneuterig en conservatief katholicisme uit. Ik vrees dat hij niet herontdekt gaat worden, zoals bijvoorbeeld Laurel en Hardy. Hoewel ik twee weken geleden de Sinterklaas-sketch aan iemand liet zien, die nog nooit iets van Toon had gezien en die moest wel lachen om het chagrijn. Dat hield Toon wel mooi strak.”

  • Claudia de Breij (1975)

    Claudia de Breij

    „Ik ben wel door Toon geïnspireerd. Niet dat ik zo’n cabaretier ben die anderen eindeloos bestudeert, dus vakmatig kunnen anderen vast veel zinniger uitspraken doen, maar ik heb wel veel gehad aan Toon Hermans’ personality cabaret. Dit is een heel lelijke term en ik heb hem nog net verzonnen ook, maar het drukt goed uit wat ik bedoel; hij liet zijn privépersoonlijkheid en zijn podiumpersoonlijkheid samenvallen, waardoor hij volstrekt geloofwaardig was. Natuurlijk was hij een meester in de waarheid liegen, want dat zijn alle groten, maar het was wel écht. Bij zijn liefdesliedjes dacht je aan je eigen liefde, maar ook aan zijn Rietje. Bij zijn katholieke jeugdherinneringen dacht je aan je eigen kindergeloof en wat of wie dan ook. En als hij bemoedigend was, raakte hij écht. De zon gaat op, de zon gaat onder. De zon gaat onder, maar ze gaat niet uit. Dat kan mij nou echt een dag door helpen.

    „Zijn werk is betrekkelijk tijdloos. Dat geldt voor zijn conferences, omdat die niet politiek maar persoonlijk waren, maar zeker ook voor zijn liedjes. In de jaren 90 was er een fantastisch project, ‘Een nieuwe jas’, daarin werd een cd gemaakt waar eigentijdse artiesten Toon zongen, of Annie M.G. Schmidt. Dat was mijn voornaamste kennismaking met Toons liedjes. Mathilde Santings versie van ‘De appels op de tafelsprei’, Reniet Vrieze die ‘De engel Gabriël’ zong. Meesterlijk. Ik zing zelf soms Toon Hermans als toegift, vooral in Limburg. Het is prachtig, en doet een beetje denken aan de dingen die Joe Rapposo schreef voor de Muppets. ‘It’s not easy being green’ had zomaar van Toon kunnen zijn. Nu ik erover nadenken: dát zou hij mooi vertaald en gezongen hebben. Hoor je het voor je? Die stem van Toon: ’t Is niet zo fijn om grrroen te zijn…

  • Van der Laan & Woe (1981 & 1981)

    Van der Laan & Woe

    „Eigenlijk hebben we Toon pas later ontdekt. We kenden natuurlijk onze klassiekers, de grote conferences, maar ook de zoetsappige liedjes en de romantiek. Hoe geniaal hij was, snapten we pas toen we zelf een tijd op het podium stonden. Dat hij voor een vol Carré ogenschijnlijk op zijn dooie gemakkie zijn verhaal zit te vertellen, chagrijnig achterovergeleund in een stoel, perfect gespeeld, precies zo gedaan dat mensen niet meer kunnen van het lachen… Dat is een techniek en een beheersing om heel jaloers op te zijn.

    „En één van de belangrijkste lessen in acteren komt van hem. Hij had een act waarin hij mimede dat hij knoeiend een perzik at en helemaal onder kwam te zitten. De zaal gierde. Op de vraag hoe hij dat toch zo geniaal kon spelen was zijn antwoord: ik denk dat ik een perzik eet.

    „We hebben een grote dvd-box waar al zijn One Man Shows in verzameld zijn. Al decennia voor Hans Teeuwen stond Toon bloedserieus een onverstaanbaar verhaal te vertellen. Het verhaal over het ‘dingetje’ aan zijn microfoonstandaard is ook een goed voorbeeld. Hij was hondsbrutaal, een absurdist, maar toch altijd volkomen toegankelijk, het publiek begreep de grap voor 100 procent. Dat is op comedygebied het hoogst haalbare. ”

  • De Partizanen (Thomas Gast, 1983 & Merijn Scholten, 1983)

    De Partizanen

    Thomas: Er hebben wel eens mensen tegen ons gezegd dat het bijzonder is dat we soms lange stiltes durven te laten vallen op het podium. Misschien is dat wel iets waarin we door Toon Hermans zijn geïnspireerd. Denk aan het stuk waarbij hij gaat staan wachten op het tennisracket, of het stuk waarbij hij het publiek een doorkijkje door het gordijn geeft.”

    Merijn: „Dat heb ik toevallig laatst nog gezien. Fantastisch inderdaad. Ik denk trouwens dat jij zeker wel door hem beïnvloed bent Thomas, in je liefde voor non-verbale humor en mimiek. Hoewel ik daar grote bewondering voor heb, ligt mijn liefde meer bij het ‘talige’ – om maar eens een lelijk woord te gebruiken.”

    Thomas: „In feite was Toon Hermans een perfecte mix van een absurdist, een zanger, een stand-up comedian en een acteur. En dat allemaal gebracht met een ongeëvenaard gevoel voor timing. Hij is eigenlijk de enige van de zogenaamde Grote Drie van wie veel stukken nu nog steeds grappig zijn om naar te kijken. Uiteraard niet alles, maar sommige dingen hebben de tand des tijds wel echt goed doorstaan.”

    Merijn: „Ik vind trouwens wel dat De Poelifinario als naam voor een cabaretprijs een beetje achterhaald is. Er zijn inmiddels genoeg andere fictieve cabaretdieren van conferenciers die hun sporen ruimschoots hebben verdiend.”
    Thomas: „Zoals?”
    Merijn: „Flappie.”
    Thomas: „Dat is waar.”
    Merijn: „Waarom noemen we de jaarlijkse cabaretprijzen niet De Flappies? En dan met meerdere categorieën: De Flappie in de categorie Beste Niet-Geëngageerde lied gaat naar…”
    Thomas: „Nou? Naar wie gaat ie?”
    Merijn: „Geen idee. Maar hij zou best wel eens voor ons kunnen zijn.”

  • Anne Neuteboom (1989)

    Anne Neuteboom

    „Het is dat de kleinkunstgeschiedenis werd behandeld aan de opleiding die ik heb gevolgd, de Koningstheateracademie. Voor die tijd had ik nooit meer dan een geknipt fragment op televisie van hem gezien. Het is interessant om zijn werk terug te kijken als kleinkunststudent. In eerste instantie denk je: jeetje, wat gedateerd! Het tempo ligt veel lager en de onderwerpen zijn naar onze begrippen braaf. Maar als je eenmaal twee versnellingen teruggeschakeld bent, is het erg grappig.

    „Hermans heeft overduidelijk de generatie na hem enorm beïnvloed, zoals Herman Finkers, Bert Visscher en Brigitte Kaandorp. Dat zijn weer mijn helden, die mij hebben beïnvloed. En zo zijn we allemaal schatplichtig aan de grote vernieuwers van de kleinkunstgeschiedenis. Je zou dus kunnen zeggen: hij leeft voort.”