Ramptoerisme

Wat leed betreft ben ik geen flinkerd, zeg maar gerust een watje. Ik probeerde dus de aanblik te vermijden van de tram die een auto in de flank had geramd alsof ie er een hap uit had genomen. In een ooghoek zag ik dat de punt van de tram een stukje in een witte Volvo stak. Meer wilde ik niet zien, dit was genoeg.

Ik had de klap gehoord terwijl ik de hoek om was komen fietsen. Op de klap was een onheilspellende stilte gevolgd. De hele doorgaande weg in Amsterdam had de adem ingehouden, zo’n stilte.

In de auto zou een bestuurder zitten en die zou er vast niet goed aan toe zijn. Het beste was op de gezichten te letten van de mensen die toekeken. Ik zag uitdrukkingen van het type flinkerd dat alles in zich opneemt wat zich voor zijn ogen afspeelt, wat het ook is. Zoals wel vaker voelde ik grote afstand tot deze kijkers, maar ik kon ze nu mooi gebruiken als spiegel van het erge.

Ik zag strakke lippen, iets omlaag gedrukte mondhoeken: het was serieus.

Steeds meer kijkers stroomden toe — de tram en de auto, in elkaar gevlochten als roofdier en prooi, stonden vlak voor een supermarkt. Ik observeerde hen zoals suppoosten wel doen in voetbalstadions: met de rug naar het tafereel, uitsluitend de toeschouwers in de gaten houden, want je kan nooit weten.

De stoep was als een platte tribune, de hoofden weerkaatsten de zwaailichten van de toegesnelde ambulances en politieauto’s. Tussen het flakkerende licht op de voorhoofden stonden ogen zonder afgrijzen: het publiek wapende zich, wie nieuwsgierig was mocht nu niet kinderachtig zijn.

Velen hielden de armen over elkaar als een schild tegen de sentimenten diep van binnen. Logisch, je vraagt je toch af hoe het zou zijn om daar in die auto te zitten, achter die deuk aan de bestuurderskant. Hoe hard zal de klap die op dertig meter afstand al pijn deed aan je oren daar binnen zijn geweest? Hoe groot de schrik? De pijn? Wordt er überhaupt nog gevoeld?

Iedereen vroeg zich dat soort dingen af, de mannen net zo goed als de vrouwen. Er waren trouwens zeker zoveel vrouwen als mannen. Ramptoerisme maakt geen onderscheid naar sekse, zo bleek ook nu weer.

Het geluid van een brancard die werd uitgeklapt. Hoofden naar links en rechts om maar niets van het slachtoffer te hoeven missen, ogen op maximale hardheid: het hoogtepunt van wat er die middag aan leed te zien zou zijn diende zich aan.

Maar kennelijk viel het mee. Mondhoeken ontspanden, voeten kwamen in beweging. Ik draaide me om en zag een vrouw die zo te zien nog intact was in een ambulance verdwijnen.

Toeschouwers liepen weg, anderen namen de toedracht nog even door: wanneer zij zus, dan hij zo… Bijna als na een wedstrijd waar ze op een bepaalde manier, als ze eerlijk waren, toch iets meer van hadden verwacht.

Auke Kok is schrijver en journalist.