Recensie

Muziekvernieuwing? Niet in dit land!

Muziekgeschiedenis

Met de klassieke muziek komt het niet meer goed. Een nieuwe muziekgeschiedenis laat zien dat de alomtegenwoordigheid en het normatieve gelijk van de massacultuur groter is dan ooit.

In de kleine zaal van het Concertgebouw spelen muzikanten die solliciteren voor een solo achter een gordijn, zodat ze onzichtbaar blijven en er een objectieve keuze gemaakt kan worden Foto Bram Budel

‘Wat ons allen bezighoudt is dit: het oude publiek sterft uit. Hoe en wat moeten wij schrijven om een groter, diverser en nieuw publiek te krijgen; waar is dat publiek?’ Nee, dit citaat komt nu eens niet van een 21ste-eeuwse Nederlandse componist die zijn werkterrein gemarginaliseerd ziet. Het is van de Duitse componist Paul Hindemith, die al in 1929 de problemen vaststelde die tegenwoordig tot obsessies zijn uitgegroeid.

Journaliste Jacqueline Oskamp (1964) geeft dit citaat aan het einde van haar toegankelijk geschreven, nieuwe muziekboek Een behoorlijk kabaal. Ze heeft er dan ruim honderd jaar aan Nederlandse muziekgeschiedenis opzitten, en trekt een zorgelijke conclusie. Want hoewel je aan de hand van Hindemith (1895-1963) zou kunnen vaststellen dat cultuurpessimisme een cyclisch verschijnsel is, en de herwaardering van het serieuze componeren misschien slechts een kwestie van een nieuw kabinet met een ruimer cultuurbudget, noteert Oskamp: ‘De alomtegenwoordigheid en vooral het normatieve gelijk van de massacultuur is groter dan ooit – zelfs de media, oorspronkelijk kritische instanties, zijn geleidelijk onderdeel geworden van de populaire cultuur, die in het teken staat van onmiddellijke bevrediging van de behoeften en verlangens.’

Is Oskamp daarmee net zo cultuurpessimistisch als de vele doemdenkers die langskomen? Wellicht, maar haar boek leest óók als een verslag van componisten die telkens weer aansluiting willen zoeken bij de rest van Nederland. Een hardnekkig misverstand wordt door Oskamp in vierhonderd bladzijden immers beslist ontkracht: het tijdloos populistische verwijt dat klassieke componisten zich in een ivoren toren bevinden.

Dat de titel Een behoorlijk kabaal, naast een verwijzing naar het gelijknamige werk van Misha Mengelberg, sterk doet denken aan het bejubelde The rest is noise (2007) van Alex Ross kan geen toeval zijn: net als de Amerikaanse muziekjournalist plaatst Oskamp de Nederlandse muziekgeschiedenis nu midden in het woeden der gehele wereld. De ambitieuze ondertitel Een cultuurgeschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw mag wellicht een poging van de uitgever zijn om een groter lezerspubliek aan te spreken, onbedoeld blijkt daaruit Oskamps sombere constatering van de muziekmarginalisering. Haar bredere cultuur-maatschappelijke analyses betreden veilige paden; het is juist de koppeling met de muziek die dit boek zo interessant maakt.

Gemoedelijkheid

‘Het gezapige muziekleven is pars pro toto voor de burgerlijke samenleving waarin ‘‘gemoedelijkheid” als een groot goed wordt gekoesterd,’ constateert Oskamp bij haar behandeling van de eerste helft van de twintigste eeuw. Zoals de coup van socialistenleider Troelstra in 1918 mislukt, zo doet componist en muziekjournalist Matthijs Vermeulen in datzelfde jaar vergeefse pogingen om de Duitse en romantische voorkeuren van Willem Mengelberg bij het Concertgebouworkest te doorbreken en meer muziek van Franse en vooral van Nederlandse bodem te laten uitvoeren. Maar de tijd is in de maatschappij noch in het muziekleven rijp voor verandering: muziek is vooral een aangenaam tijdverdrijf. Niet alleen componisten voelen zich door de overheersing van (dode) buitenlandse collega’s gemarginaliseerd: ook theatermakers klagen over ‘uitheemsche toneelinvasies’.

Neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog, de verzuiling, de calvinistische volksaard, de tolerante handelsnatie: deze voor de hand liggende verklaringen draagt Oskamp aan voor de wat ingedutte culturele identiteit van Nederland. Niet dat componisten als Ruyneman, Pijper en Vermeulen nalaten om de sentimentele, bij het publiek populaire folklore van Van Anrooy en Dopper te doorbreken. Maar het ontbreekt aan voldoende gelegenheid tot oefening in de praktijk.

Ten aanzien van Vermeulens oorlogswerk Les lendemains chantants (1941-44) constateert Oskamp met dodelijk understatement waaruit gezonde kritische distantie blijkt: ‘Of de grauwe muziek samenhangt met het thema of een gevolg is van de eerder beschreven onwennigheid van Vermeulen met de klinkende muziek, is de vraag.’

Zelfs gamalanklanken uit Nederlands-Indië dringen maar mondjesmaat door tot de Nederlandse composities, de Franse nieuwsgierigheid naar muziek uit Azië krijgt weinig navolging. Ook invloeden van de Amerikaanse jazz laten – anders dan in Parijs en Berlijn – weinig sporen na. De mening van Piet Ketting dat jazz een klinkend symbool is voor ‘de degeneratie dezer tijden’ kan op bijval rekenen. Het leidt tot de ironische constatering dat er nauwelijks Nederlandse componisten door de nazi’s ‘ontaard’ worden bevonden.

Maar wat ís dan de Nederlandse muziek? Die vraag wordt op scherp gezet tijdens de bezetting, waarin het juist de Duitsers zijn die een emancipatie beogen van de muziekcultuur, inclusief inkomensverhoging voor (‘arische’) orkestleden. Maar zo ferm als componisten achteraf in het hokje ‘goed’ of ‘fout’ worden geplaatst, zo onbeantwoord blijft ook in de oorlogsjaren de vraag wat de Nederlandse identiteit definieert. De strijd tussen de nationalistische NSB en de aanhangers van de ‘Groot-Germaanse gedachte’ blijkt een stroom holle propaganda-frasen te zijn, een echte invloed op de stijl van componeren heeft de oorlog niet aangetoond. Joodse musici duiken onder of worden gedeporteerd. Er tijdens de oorlog maar het beste van maken, luidt het devies dat de meeste overige musici net als het gros der Nederlanders volgen.

Boulez

Gelukkig neemt de spruitjeslucht in de jaren zestig af: hoewel Oskamp terecht aantoont dat de aandacht voor moderne muziek bij het Concertgebouworkest minder dramatisch is dan de beeldvorming wil (liefst veertien concerten dirigeert Boulez er in januari 1965), de beruchte Notenkrakersactie van onder anderen Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw is onderdeel van een breder gevoelde – en generaties overstijgende – behoefte om de ramen eindelijk wijd open te zetten.

Zo progressief als het kabinet-Den Uyl zich in de jaren zeventig profileert, zo geëngageerd tonen componisten zich met de rest van de wereld. Rock, jazz, postmodernistische collages en Vietnam zijn in de ‘ernstige muziek’ steeds vaker aan te treffen, de communistische Italiaanse componist Luigi Nono is een lichtend voorbeeld. Maar Peter Schat stelt een goede vraag: ‘Nono zegt: voor het proletariaat. Uitstekend, vind ik ook. Maar waar zit dat tegenwoordig?’

Niet in de concertzaal, is het pijnlijke antwoord. In een luisteronderzoek van de NOS in 1973 geeft slechts één procent van de bevolking de voorkeur aan hedendaagse composities. Terwijl de ensemble-cultuur bloeit en de subsidies groeien, neemt het gevoel van maatschappelijke relevantie onder componisten gestaag af.

Wie Een behoorlijk kabaal leest, mag concluderen dat de maatschappelijke relevantie van de Nederlandse muziek zelden groot is geweest. Er lijkt sprake van een eenrichtingsverkeer: toonkunstenaars vormen een vrij betrouwbare afspiegeling van de stand van het land, maar zijn meestal niet in staat om een autonome koers te bepalen. Zeker niet na de recente ingrijpende bezuinigingen. Oskamp besluit in goede cultuurpessimistische traditie: ‘De Hollandse koopmansgeest […] is nu in vol, neoliberaal ornaat terug – met het massavermaak als de nieuwe kneuterigheid’. Ze haalt het afscheidsconcert aan van koningin Beatrix in 2014: een wervelend lichtvoetige show die de progressieve cultuursmaak van Beatrix geen recht doet. Muziek als hartverwarmend vermaak.