Onderwijs

Maatwerk voor de leerling maakt de sociale ongelijkheid juist groter

Uit de internationaal vergelijkende Pisatest van deze week blijkt weer dat de sociale ongelijkheid in het Nederlandse onderwijs groter is dan elders. De trend van maatwerk maakt dat erger, schrijft Herman van de Werfhorst

Anp Bas Czerwinski

In de PISA-resultaten van deze week bleek maar weer eens: de ongelijkheid naar sociaal milieu in de prestaties in het voortgezet onderwijs zijn in Nederland hoger dan in andere OESO landen. De onderwijsinspectie toonde afgelopen jaar dat ongelijkheid in de overgang naar het VO ook nog eens toeneemt. Ons eigen werk toonde aan dat, over de afgelopen decennia, de ongelijkheid is verschoven naar later in de schoolloopbaan. Ouders met een hoge opleiding proberen zo de schoolcarrière van hun kinderen te ‘repareren’ als het in het begin niet zo goed ging.

En dat terwijl sociale verschillen in het onderwijs nauwelijks op de politieke agenda stonden de afgelopen twintig jaar. Kansen krijgen was niet het probleem, hooguit kansen grijpen, zo dacht men in Den Haag. Daarin zien we verandering: in de verschillende verkiezingsprogramma’s voor de komende verkiezingen krijgt kansengelijkheid volop aandacht.

Strategisch gedrag van scholen

Het begint met een visie vanuit het onderwijsveld en de politiek. De oproep tot een visie betekent echter ook dat de verhouding tussen de overheden (landelijk en lokaal) en het veld verandert. Den Haag heeft te veel een houding aangenomen van ‘handen af van het onderwijs’.’Laat scholen het zelf maar doen’; ‘we gaan over het wat maar niet over het hoe’. De vraag is of daarmee ongelijke kansen tussen sociale en etnische groepen worden bestreden. Ik denk het niet. De afwachtende houding van de politiek bevordert strategisch handelen van scholen, die zich gesteld zien in een concurrentiepositie waar de beste leerlingen moeten worden binnengehaald. Dit strategisch gedrag heeft geleid tot een verkokering van de eerste jaren van het voortgezet onderwijs, met smallere scholengemeenschappen, smallere brugklassen, en kortere brugperiodes tot gevolg. Met name in de steden, waar achterstanden gemakkelijker op de loer liggen.

Als het de politiek menens is met het bevorderen van gelijke kansen zou men moeten onderkennen dat er een spanningsveld is tussen het bevorderen van gelijke kansen en het aan scholen overlaten hoe ze het willen doen. De Gelijke Kansen Alliantie die door Bussemaker in het leven is geroepen lijkt wel het tegenovergestelde te denken. Onderwijs2032, ruim baan gevend aan maatwerk en autonomie, wordt omarmd. Maar maatwerk, net als autonomie van scholen een tegenpool van standaardisatie, werkt ongelijke kansen mogelijk in de hand. Wie profiteert van maatwerk? Waarom zouden kinderen uit academisch geschoolde milieus daar niet meer van profiteren dan kinderen van de lagere middenklasse?

De eerste stap is om dit spanningsveld te onderkennen. Als men daarentegen denkt dat maatwerk en gelijke kansenbeleid automatisch hand in hand gaan, gaan scholen het gewoon zelf doen, en neemt hun strategisch gedrag eerder toe dan af.

Herman van de Werfhorst is hoogleraar Sociologie aan Universiteit van Amsterdam
@HermanWerfhorst