In Nederland mag je bijna alles zeggen

Strafzaak Wilders

Volgende week bespreekt de Kamer een wet die vervolging van Wilders had kunnen voorkomen. Veel fracties zijn tegen die wet.

Wilders twee weken geleden in de rechtbank in Amsterdam tijdens het uitspreken van zijn laatste woord. Foto ANP / Remko de Waal

Ironisch is het wel. Volgende week debatteert de Tweede Kamer over een wetsvoorstel dat de vervolging van Geert Wilders onmogelijk had gemaakt.

Vrijdag doet de rechter uitspraak in de strafzaak tegen PVV-leider Wilders. Het Openbaar Ministerie legt hem groepsbelediging en aanzetten tot discriminatie en haat ten laste, vanwege zijn oproep tot ‘minder Marokkanen’. Dat valt onder artikel 137c en137d uit het wetboek van Strafrecht.

Al sinds september 2012 ligt er een initiatiefwet in de Tweede Kamer die precies deze twee onderdelen uit het wetboek schrapt. Een PVV’er diende het voorstel in, maar verder gebeurde er niets. Twee jaar later probeerde Tweede Kamerlid Joram van Klaveren het opnieuw. Hij zette wel door.

Van Klaveren gebruikte in het voorjaar van 2014 het ‘minder, minder’ van Wilders als aanleiding om op te stappen bij de PVV. Precies de kwestie waar de uitspraak vrijdag ook over gaat. Nu zit hij bij de partij Voor Nederland.

Lees ook: Advocaat Knoops: rechtszaak tegen Wilders is een „politiek proces”, een verslag van de verdediging van Wilders’ advocaat Knoops.

Formatie 2010

Dat Van Klaveren het niet eens is met ‘minder, minder’, betekent niet dat Wilders vervolgd moet worden, zegt hij. „In een democratische samenleving moeten mensen zonder angst voor vervolging hun mening kunnen geven.” Rechters interpreteren de wet te ruim, vindt hij, en ze perken het grondrecht dat de vrijheid van meningsuiting is, te veel in.

Artikel 137c was een serieus onderwerp in de formatie-onderhandelingen in 2010. VVD, PVV en CDA spraken toen over mogelijke afschaffing van het strafbaar stellen van groepsbelediging vanwege ras, godsdienst of geaardheid. Halbe Zijlstra, nu fractievoorzitter van de VVD, zat in dat werkgroepje, net als Sybrand van Haersma Buma, nu voorman van het CDA. Voor de PVV praatte Johan Driessen mee, die nu met Van Klaveren bij VNL zit.

Ze kwamen er niet uit. De PVV en de VVD wilden wel, het CDA twijfelde. Dus werd de vrijheid van meningsuiting een ‘vrije kwestie’, besloten ze. Uiteindelijk schreef Driessen in zijn eentje een wetsontwerp, ondanks „veelvuldig” overleg met de VVD-fractie om er samen aan te werken, zoals Van Klaveren in zijn toelichting op het voorstel schrijft.

Maar de VVD haakte af. In 2011 sprak de rechtbank Wilders vrij van groepsbelediging en aanzetten tot haat, dus daarin zag de partij geen aanleiding de wet te verruimen.

De vrijheid van meningsuiting had de VVD eerder al genoeg heisa opgeleverd. In februari van 2009 schreef Mark Rutte, toen fractievoorzitter van de VVD in de oppositie, dat Nederland „een land is waar dingen gezegd kunnen worden. Zelfs als het verwerpelijk is”. Alleen aanzetten tot geweld of discriminatie moest nog strafbaar zijn, de rest moest straffeloos gezegd kunnen worden, vonden hij en zijn fractiegenoot Atzo Nicolaï. Van hun pleidooi bleef alleen hangen dat Rutte de ontkenning van de Holocaust „idioot” vond, maar dat zoiets wél gezegd moest kunnen worden. Van alle kanten kreeg hij kritiek, het plan viel stil.

Lees ook: Slotwoord van Wilders een megamediaspektakel, ons stuk over het laatste woord van Wilders twee weken geleden.

Geen koppeling met de uitspraak

Mark Rutte en Atzo Nicolaï waren met hun voorstel gekomen als reactie op de plannen van de zittende coalitie destijds, het vierde kabinet-Balkenende. CDA, PvdA en ChristenUnie hadden een wisseltruc uitgehaald. Het verbod op godslastering zou verdwijnen, in ruil daarvoor breidden ze artikel 137c uit. Ook índirecte belediging zou voortaan strafbaar worden, en dat vonden de VVD’ers een slecht idee.

De coalitiepartijen waren eveneens ongelukkig met hun compromis. Uiteindelijk trok toenmalig minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin (CDA) het weer in. Dat was in juni 2009. Het verbod op godslastering verviel alsnog in 2014, op initiatief van D66 en de SP.

De bescherming die artikel 137c biedt aan groepen, of het nu homo’s, biseksuelen, joden of moslims zijn, vinden de meeste politieke partijen belangrijker dan een absolute vrijheid van meningsuiting. „Als we goed willen samenleven, kunnen we niet accepteren dat mensen tegen elkaar worden opgestookt”, zegt bijvoorbeeld de PvdA. Ze verwijzen naar de Raad van State, die is kritisch en schrijft dat Nederland volgens internationale regels verplicht is om aanzetten tot discriminatie op grond van ras, afkomst of godsdienst te verbieden. Precies wat de twee wetsartikelen waar het om gaat doen.

De meeste fracties willen de uitspraak in de zaak-Wilders los zien van het debat over het wetsvoorstel. Of Geert Wilders nu wordt veroordeeld of niet, zeggen onder andere PvdA, CDA en GroenLinks, ze zijn tegen een verruiming van de vrijheid van meningsuiting. Zo lijkt een meerderheid voor het plan onwaarschijnlijk. Het CDA wil zelfs nog een stap de andere kant op gaan: verheerlijking van terroristisch geweld zou ook strafbaar moeten zijn.

Bij de VVD ligt dit anders. De uitspraak maakt uit, zeggen zij, want het is een nieuw moment om te bekijken of de rechters de wet wel zó interpreteren als de wetgever bedoeld heeft.

En de PVV van Wilders zelf? Die deed niet eens mee aan de voorbereiding van het debat, waarin de fracties schriftelijk vragen mogen stellen.