Column

El Al

De vriendin en ik zaten in het vliegtuig naar Israël, waar we voor het eerst een midweek zonder kind zouden doen. We vlogen met El Al, volgens het bedrijf zelf de veiligste luchtvaartmaatschappij ter wereld. Onder ons hing een raketafweersysteem en ergens aan boord zaten veiligheidsagenten vermomd als passagiers, die eventuele terroristen nog voordat ze iets konden ondernemen definitief zouden uitschakelen. Vooraf had ik gedacht dat we tijdens het vliegen heel gezellig zouden gaan zitten raden wie dat dan waren, maar dat moest ik maar in m’n eentje gaan zitten doen.

In de aanloop naar ons reisje had ik me weer eens honds gedragen. Waarom moest ik juist als er geen tijd was nog van alles doen?

„Het is een zzp’erskwaal”, zei een bevriende fotograaf die ooit op oudejaarsavond foto’s zat uit te zoeken om mee te dingen naar de Zilveren Camera, terwijl zijn vriendin beneden met de visite zat.

Zijn tip: „Koop wat leuks voor d’r als je er bent. Een shawl.”

Maar zo waren wij dan toch niet getrouwd. De vriendin had al gedreigd om me te dumpen bij de Klaagmuur – „Echt een plek voor jou” – en moest lachen toen ze me eraan herinnerde dat we extra vroeg op Schiphol moesten zijn, omdat ik zo graag met de zogenaamd veiligste vliegtuigmaatschappij ter wereld wilde vliegen.

Het geheim van die veiligheid zat ’m in etnische profilering, zag ik op een filmpje op internet.

De vriendin kwam moeiteloos door de controles, ze was zichtbaar zwanger.

Ik bleef steken in een moeizaam gesprek. Ik had op alles gerekend, maar niet op de vragen als ‘waarom kijkt u zo boos?’

„Ik ben niet boos”, zei ik. „Zo kijk ik altijd.”

Hij wilde weten waarom de reis naar Israël ging.

„Omdat jullie op televisie adverteren met filmpjes over hoe leuk een midweek in Tel Aviv en Jerusalem is”, zei ik naar waarheid.

„Mooi weer en cultuur en zo, daar zijn we aan toe.”

Dit kwam schijnbaar heel ongeloofwaardig over.

„Heeft u last van stress?”, vroeg hij.

Ik ontkende, reden voor de man om mijn tas te openen en de kledingstukken er een voor een uit te vissen. Twee uur later zaten de vriendin en ik naast elkaar in het vliegtuig.

„Ik denk dat dat een van de als passagiers vermomde bewakers is”, zei ik over een man aan de andere kant van het gangpad die voor zich uit zat te staren.

Ze vroeg of ik alsjeblieft mijn mond hield. Het duurde nog even voor de zon ging schijnen.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.