Recensie

Durf een overleden vriend ontrouw te zijn

Gilles van der Loo

Vijf jaar geleden verdween plotseling Van der Loo’s beste vriend. Dagen na zijn vermissing werd hij uit de Amsterdamse wateren gevist. Van der Loo maakt in zijn ode deels fictie van hun vriendschap.

Gilles van der Loo Foto Tessa Posthuma de Boer

Na een verhalenbundel en een roman schreef Gilles van der Loo (1973) met Het jasje van Luis Martín een boek waarvan je eerst vermoedt dat de kwalificatie memoir er het meest voor in aanmerking komt: een boek waarin de schrijver een zekere periode uit zijn leven herdenkt. Ook Van der Loos uitgeverij wijst de bron van het boek zonder omhaal aan. ‘Na twee boeken waarin de verbeelding het voor het zeggen had’, meldt het persbericht, ‘wordt Gilles van der Loo’s derde gedreven door een autobiografische aanleiding.’

Die aanleiding is tragisch. Vijf jaar geleden verdween Van der Loos beste vriend Gijs Thio plotseling. Een groots opgezette zoektocht mocht niet baten. Hte lichaam van Thio werd enkele dagen na zijn vermissing uit de Amsterdamse wateren gehaald. Hij was ’s nachts te water geraakt en verdronken. Gijs heet Gijs in Het jasje van Luis Martín en Van der Loo heeft zichzelf de naam Issa toebedeeld, een eerste aanwijzing dat het boek ondanks de autobiografische achtergrond ook kenmerken bevat die je eerder met fictie in verband brengt. De meest in het oog springende schrijftechniek is Van der Loos opvoering van de man uit de titel. Luis Martín Murillo was een legendarische Spaanse barman die de jonge Gijs de fijne kneepjes van het vak leerde. Hij doemt af en toe op als Gijs al is overleden en Issa een jonge vader is die nog steeds worstelt met zijn verlies. Je weet lange tijd niet waar Murillo’s geestverschijning voor staat. Verbeeldt hij de ziel van Gijs en kijkt die met lichte minachting naar Issa’s burgermansbestaan? Of is hij juist een figuur met een hoge morele standaard die de wat labiele vader stilletjes veroordeelt? Dit gepuzzel komt het leesplezier alleen maar ten goede.

Horeca-god

Maar centraal staat het vriendenverhaal van Gijs en Issa. Horeca-god Gijs, die de student Issa dusdanig enthousiasmeerde voor het vak dat die besloot om zijn studie psychologie er aan te geven, wordt gepresenteerd als een vaderfiguur voor Issa. Dagenlang raken ze elkaar niet uit het oog. Eerst wordt er samen gewerkt, en daarna wordt het Amsterdamse nachtleven verkend – een nachtleven waarin we duidelijk de roaring nineties herkennen.

Van der Loo heeft de ‘magie’ van die tijd willen oproepen en daarnaast een portret van Gijs willen creëren, een man die hartelijk maar ook zwijgzaam en tot op zekere hoogte ondoorgrondelijk was. Het is vooral die magie die niet helemaal van de grond komt. De omgang tussen de twee jonge mannen is dan misschien waarheidsgetrouw, maar geluk – want dat is het toch vooral wat hier beschreven wordt – blijkt ook in dit geval literair gezien verdraaid lastig om te vangen en uit te strijken over tientallen pagina’s. Na het zoveelste gezamenlijk geheven glas of de volgende exquise maaltijd weet je het wel. Er moet meer aan de hand zijn op papier. Irritatie, dubbele agenda’s, afgunst – om maar wat te noemen.

Ode

Het vermoeden rijst dus dat Van der Loo een méér dan onderhoudend boek had geschreven als hij zijn overleden vriend wat ontrouwer was geweest, als hij het had aangedurfd om deze ode verder te fictionaliseren. Het is een interessante vraag of hij hem daarmee postuum onrecht had aangedaan: afstappen van de anekdote en dan als het ware de kern van Gijs in actie brengen in veelzeggende scènes. Een compliment is ook op z’n plaats. Zoals Arnon Grunberg ooit opmerkte dat hij na het lezen van Williams’ Stoner leraar wilde worden, zo is dit een boek dat het ambacht van barman of restaurant-uitbater opeens heel aantrekkelijk laat lijken.