Deze vier politici zijn eerder veroordeeld

Aanzetten tot haat of discriminatie van een groep leidde eerder al tot gerechtelijke veroordelingen van politici. Janmaat en Joekes kregen boetes van duizenden guldens. Brongersma en Smallenbroek werden voor andere vergrijpen veroordeeld.

Hans Janmaat (1997)

Foto ANP / Paul Vreeker

Foto ANP / Paul Vreeker

De uitspraken waar Tweede Kamerlid Hans Janmaat (Centrumpartij / Centrum Democraten) voor veroordeeld werd, klinken genuanceerd vergeleken met die van Geert Wilders. „Wij schaffen, zodra wij de mogelijkheid en de macht hebben, de multiculturele samenleving af”, zei hij in 1996 tijdens een demonstratie in Zwolle. Ook hadden hij en een partijgenoot leuzen geroepen als ‘Eigen volk eerst’, ‘Nederland voor de Nederlanders’ en ‘Vol is vol’.

Voor die uitspraken stond Janmaat in 1997 – hij was nog Kamerlid – terecht bij de rechtbank in Zwolle. Die veroordeelde hem wegens ‘aanzetten tot discriminatie van mensen wegens hun ras’; artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht. In hoger beroep kreeg hij van het gerechtshof in Arnhem een voorwaardelijke celstraf van twee weken, plus 7.500 gulden boete. Janmaat was in 1995 en 1996 ook al veroordeeld wegens discriminatie. Toen kreeg hij boetes van 2.000 en 3.000 gulden.

De Centrum Democraten van Janmaat hadden in die tijd drie Tweede Kamerzetels. Volgens Janmaat toonde het vonnis aan „dat de Nederlandse Staat politieke rechtspraak niet schuwt om kritiek de mond te snoeren”. Bij de volgende Tweede Kamerverkiezingen, in 1998, haalden de Centrum Democraten geen zetels meer.

Theo Joekes (1980)

Foto ANP / Paul Vreeker

Joekes aan het woord in de Tweede Kamer in 1985. Foto ANP / Paul Vreeker

Tweede Kamerlid Theo Joekes (VVD) was de kapingen en gijzelingen door Molukkers helemaal zat, eind jaren zeventig. Op 13 maart 1978 vielen drie Zuid-Molukkers het Drentse provinciehuis binnen, waar ze zo’n zeventig mensen gijzelden en één ambtenaar voor het raam executeerden. Die avond – de gijzeling was nog gaande – hield Joekes een spreekbeurt bij de VVD-afdeling Maassluis. Hij zei dat de regering bij nog zo’n gijzelingsactie gewoon alle Zuid-Molukkers het land uit zou kunnen zetten.

Dat was aanzetten tot discriminatie, vond het OM. Begin 1980 moest Joekes zich verantwoorden voor de rechtbank in Rotterdam. De VVD’er zei dat hij helemaal niet wilde discrimineren of aanzetten tot haat. Zijn opmerking was „speculatie en geen oproep”. „Ik heb slechts een praktische mogelijkheid willen aandragen”, zei hij.

Het OM nam het Joekes kwalijk dat hij het geweld van enkelen toerekende aan alle jonge Zuid-Molukkers. De officier van justitie eiste een boete van 1.000 gulden. De rechter nam die eis over. Na zijn veroordeling bleef Joekes nog negen jaar Tweede Kamerlid.

Edward Brongersma (1950)

In juli 1950 stopte PvdA’er Edward Brongersma (toen 38 jaar) plotseling als Eerste Kamerlid en gemeenteraadslid in Heemstede. ‘Gezondheidsredenen’, was de officiële verklaring. Later werd bekend dat hij was hij gearresteerd op verdenking van homoseksuele contacten met een jongen van 16. Datzelfde jaar nog werd hij veroordeeld, waarna hij tien maanden in de gevangenis zat.

Brongersma vond zijn veroordeling onterecht. Hij was strafbaar omdat hij als volwassene geen homoseksuele relaties mocht hebben met een jongere onder de 21 jaar. Voor heteroseksuele relaties was die leeftijdsgrens 16 jaar. Na zijn vrijlating zette hij zich in voor een wetswijziging.

Hij had succes. In 1971 werd het bestreden artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht met brede steun van de Tweede Kamer ingetrokken. De Kamer vond het niet nodig „om homofiele jongeren tussen de 16 en 21 jaar in sterkere mate te beschermen dan de heterofiele jongeren”, zo staat in een verslag van de vaste Kamercommissie Justitie.

Liever had Brongersma gezien dat die leeftijdsgrens nog verder omlaag was gegaan. Hij bleef zich inzetten voor de acceptatie van pedoseksuele relaties, zolang die vrijwillig zijn. Hij stierf in 1998.

Jan Smallenbroek (1966)

Foto ANP

Smallenbroek bezoekt koningin Juliana. Foto ANP

Een aanrijding maakte in 1966 een einde aan de politieke carrière van ARP’er Jan Smallenbroek. Als minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Cals had hij al krediet verloren. Hij kreeg kritiek op het zwakke optreden van de politie rond het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus, in maart van dat jaar.

Die zomer nam Smallenbroek in een vrijdagnacht een te ruime bocht met zijn dienstauto. Hij botste op een geparkeerde auto, die hij zo´n 25 meter meesleepte. In De Telegraaf werd een 17-jarig meisje geciteerd dat een getuigenverklaring had afgelegd bij de politie. Zij zag hoe beide auto’s tot stilstand kwamen. Vervolgens doofde Smallenbroek zijn lichten en reed hij achteruit de smalle straat uit. „Ik ben in pyjama en op blote voeten naar buiten gerend om zijn nummer op te nemen”, zei het meisje, „maar dat is me niet gelukt”. Smallenbroek meldde zich de volgende ochtend bij de eigenaar.

De media maten het incident breed uit: hij zou met alcohol op achter het stuur hebben gezeten. 31 augustus trad Smallenbroek af. De volgende dag werd hij benoemd als staatsraad bij de Raad van State. Kort daarna veroordeelde de rechter hem tot een boete van 200 gulden.