Recensie

Chaotische biografie van Ivo van Hove ontbeert elke vorm van diepgang (●)

Ivo van hove

Als de meest spraakmakende theaterregisseur van ons taalgebied krijgt de Vlaming Ivo van Hove bij zijn zestigste verjaardag al een biografie. Helaas doet die hem in alle opzichten ernstig tekort.

Ivo van Hove na afloop van de repetitie van ‘De Dingen Die Voorbijgaan' op het Internationaal Theaterfestival in Avignon, in juli 2018.

Regisseur Ivo van Hove wordt dit jaar zestig en dat leidt tot de verschijning van verschillende boeken over hem. De hoogste verwachting wekte de biografie van Volkskrant-theatercriticus Karin Veraart, die de artistiek leider van het Internationaal Theater Amsterdam jaren op de voet heeft gevolgd. De Vlaming Van Hove is de afgelopen jaren uitgegroeid tot een wereldwijd aansprekend en invloedrijk regisseur van theater en opera, met meest in het oog lopend de samenwerking met supersterren als Jude Law, David Bowie, Bryan Cranston en Juliette Binoche.

Een publicatie als deze zou een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de theatergeschiedschrijving, een allesbehalve rijk bedeeld genre. Bovenal zou zo’n biografie een impuls kunnen geven aan het begrip voor de denkwereld van een toonaangevend theatermaker en daarmee voor theater in bredere zin. Zo’n boek is Ivo helaas niet geworden.

Veraart werkt chronologisch de voorstellingen af die Van Hove maakte. De biografie begint met zijn jeugdwerk, vanaf Geruchten uit 1981. Die maakte hij al met Jan Versweyveld – zijn partner in de liefde en in het werk – als scenograaf. Een voorstelling ‘die niemand gezien heeft’, zegt Van Hove zelf. Daarover wil je meer weten dan dat hij bestaat uit ‘een reeks scènes, flarden, kreten, met muziek en dans’. Wel meldt Veraart dat een criticus de voorstelling een verademing noemt in het ‘duffe Vlaamse toneel’ uit die tijd, zonder die context te duiden. Die falende aanpak blijkt helaas symptomatisch voor het boek.

Verliefd

Op zijn veertiende heeft Van Hove een relatie met een leraar, op zijn zeventiende sterft een jongen op wie hij verliefd is en op zijn 22ste wordt geconstateerd dat zijn jongere broer schizofreen is. Dat zijn gebeurtenissen die een mens blijvend kunnen vormen, maar in dit boek zijn het geïsoleerde incidenten. Niettemin wordt Veraart niet moe te constateren dat dood en seksualiteit de grote thema’s bij Van Hove zijn.

De jonge Van Hove is een zoekende kunstenaar, maar met een zakelijke instelling. Met Versweyveld opent hij in Antwerpen een grand café, Café Illusie, waarmee ze voorstellingen financieren. Van Hove verkent de fysieke kant van theater, en zijn werk heeft van meet af aan een performance-karakter. Uit zijn vroege werk zou een zekere ruigheid en ruwheid spreken, meldt Veraart. Laat in het boek zegt iemand zelfs dat hij met Van Hove een ‘punkmentaliteit’ deelt, maar bij gebrek aan details is (wederom) schimmig waarom.

Lees ook het interview met Ivo van Hove: ‘Ik voelde me veilig bij Bowie’

In Ivo blijft op die manier alles aan de oppervlakte. Veraart sprak veel mensen, van Van Hove en Versweyveld tot acteurs, collega-regisseurs en dramaturgen. Maar dat levert slechts lange lappen ongestructureerde citaten op, zonder onderbreking, alsof iemand lukraak de uitgetypte interviews achter elkaar heeft geplakt: drie pagina’s Halina Reijn, twee pagina’s Ramsey Nasr, vier pagina’s videokunstenaar Tal Yarden. Bronnen zijn niet gecombineerd, informatie wordt niet samengevoegd, het plot van voorstellingen wordt summier naverteld.

Veraart schuwt analyse en duiding en ontbeert het vermogen om een lijn uit te zetten, een idee uit te werken of een vervolgvraag te stellen. Gemiddeld drie keer per bladzijde vraag je je af: hoe dan, waarom dan? Wat er aan wetenswaardigheden of interessante aanknopingspunten in de interviews voorbij komt, ligt bedolven onder een dikke laag ruis.

Wat bijvoorbeeld velen zeggen, is dat Van Hove een superambitieuze, buitengewoon gedreven man is, die leeft voor het theater en met de jaren zijn norsheid en sociale handicaps lijkt te hebben overwonnen. Dat schreeuwt om een uitgewerkt psychologisch portret, maar in dit boek blijft het bij de herhaalde constatering.

Surfplank

Van Hove bereidt zich studieus voor op een voorstelling en leest veel, maar over zijn lectuur schrijft Veraart niets. Vier keer komt voorbij dat de Franse regisseur Patrice Chereau zijn grote idool is, twee keer noemt hij de invloed van socioloog Richard Sennett op zijn werk en er trekt een trits filmauteurs voorbij waarop Van Hove voorstellingen baseerde (zoals Ingmar Bergman en Luchino Visconti): over hun werk blijft Veraart blanco. Het geeft het boek de intellectuele diepgang van een surfplank.

Lees ook de recensie: Ivo van Hoves toneelstuk ‘Een klein leven’ is een zinderende helletocht (•••••)

Via het Zuidelijk Toneel belandt Van Hove bij Toneelgroep Amsterdam, waar zijn ster rijst door zijn internationale werk en de casting van supersterren uit de film- en tv-wereld. Maar zijn aantreden in Amsterdam gaat gepaard met een crisis, door een opstand van acteurs, waar Veraart geen raad mee weet. Van Hove laat weten dat hij ‘heel onrechtvaardig’ is behandeld, maar zegt niet waarom en de acteurs die het ensemble verlieten, zoals Pierre Bokma, komen niet aan het woord.

Het is typerend voor Veraarts hagiografische instelling, waarbij na elk miniem punt van kritiek een compliment of vergoelijking volgt. Tientallen keren zegt de auteur hoe prachtig en ontroerend het theaterwerk van Van Hove wel niet is, hoe succesvol en met hoeveel liefde gemaakt.

Het grote raadsel is uiteindelijk hoe dit chaotische boek het fiat van een uitgeverij heeft gekregen. De theaterliefhebber is er niet mee gediend.

    • Ron Rijghard