Opinie

    • Ellen Deckwitz

Vakantiecake

Deckwitz, Ellen 10-2015 01

Nadat een vriend vroeg hoe het ging en ik in Jochem Myjer-tempo begon op te sommen wat er in december nog allemaal op het programma stond, zei hij dat ik er even uit moest. Ik hyperventileerde dat ik daar geen tijd voor had.

„Kom,” zei de vriend, „je kunt er best even uit zonder meteen naar Patagonië te roeien. Je kan ook een avondje gaan dansen of jezelf bedrinken, de oude Romeinen deden dat ook vaak en die bouwden toch een behoorlijk imperium op.”

Vooruit, dacht ik. Omdat ik drank stom vind en iedereen in mijn omgeving te druk was om te stappen, ging ik voor het eerst in achttien jaar langs de coffeeshop.

Op YouTube vond ik een filmpje waarin een blonde rastafari uitlegt hoe je spacecake maakt. Een half uur later was de vakantieticket, tjokvol calorieën en thc, gereed.

Ik had het alleen niet op de nuchtere maag moeten innemen. Ineens begreep ik weer waar ‘stoned’ op sloeg. Het was alsof mijn achterhoofd en frontaallobben van hetzelfde materiaal als Erica Terpstra waren. Jezus, dacht ik, terwijl mijn armen tintelden en mijn oogleden naar beneden dropen, was het vroeger ook zo heftig? Als zestienjarige heette ik zelfs een tijdje Sneeuwwietje omdat ik op die leeftijd 1. geestbleek en 2. regelmatig aan de blunt was. Kon ik er nu opeens niet meer tegen?

Ik nam met loodzwaar hoofd plaats op de bank. Oké, ik was er even uit, maar bevond me in plaats van in Club Tropicana in een verlaten polder, tot aan mijn nek in winterkille modder. En toen herinnerde ik me opeens dat ik vroeger vooral blowde om mijn persoonlijkheid te dempen. Ik was als puber hyper, lacherig en springerig en dus volgens de meesten irritant. Maar eenmaal stoned hield ik mijn mond, en zeiden mensen opeens dat ze me aardig vonden. Eenmaal verdoofd, hoorde ik erbij.

Dat was zo’n tragische gedachte dat ik ervan moest huilen. Terwijl de tranen op mijn wangen kletterden, herinnerde ik me ook dat je nogal makkelijk in dingen kan blijven hangen als je stoned bent. Ik heb twee uur op de bank om mezelf liggen janken. En om het feit dat ik niet kon stoppen met janken. Om mezelf.

De volgende dag voelde ik me bij het opstaan alsof ik na een lange vakantie wakker werd in mijn eigen bed maar vooral weer in mijn eigen lichaam.

„Was je uitje leuk?” vroeg de vriend. Ik zei dat het een teletijdtrip from hell was. En dat ik blij was dat alles nu weer bij het oude was.

„Perfect! Daar is vakantie immers voor”, zei hij vrolijk. „Welkom thuis!”

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz