Recensie

Portret van een fabulerende champagnesocialist

Sommige fans van Pablo Neruda zullen niet erg blij zijn met dit portret. Toch is Neruda bepaald geen ‘hatchet job’. ●●●●

‘Hier, in deze vrolijke villa, begint onze grandioze achtervolging”, zegt de verteller. „Zo viert de linkse elite feest als men het niet te druk heeft met klagen.” Het jaar is 1948: de grote Chileense dichter Pablo Neruda moet ondergronds gaan, zijn communistische partij wordt vervolgd. Maar straks: eerst nog even verkleed als woestijnsjeik een amoureus sonnet reciteren. Met die dichtersstem van hem, ijl en verheven.

Na zijn Pinochet-trilogie (Tony Manero, Post Mortem, No) en zijn afrekening met de Katholieke Kerk (El Club) vat Pablo Larraín in Neruda een heilige koe van links bij de hoorns.

In een visuele gelegenheidsstijl die neigt naar het mistige rood en blauw van oude fototijdschriften. Een stijl die zegt: dit is een verdwenen wereld, irrelevant gemaakt door het regime-Pinochet. Ook Neruda kijkt soms vooruit naar het kantelpunt, de coup van 1973, die de grote dichter tot een historische figuur maakte. Hij stierf toen door een giftige injectie, toegediend in het ziekenhuis dat hem voor prostaatkanker behandelde.

Lees het interview met Pablo Larraín en Gael García Bernal: ‘Poëzie kan de wereld redden’

Pablo Neruda was de zoon van een spoorwegarbeider; een briljante dichter, geliefd om zijn liefdespoëzie. Als diplomaat tijdens de Spaanse burgeroorlog bekeerde hij zich tot het stalinisme, later hing rond deze kalende, corpulente rokkenjager en wereldreiziger een waas van romantiek.

Sommige fans van Pablo Neruda zullen niet erg blij zijn met dit portret van een fabulerende champagnesocialist. We volgen de grote dichter namelijk in het kernjaar van zijn eigen mythe, 1948. Toen trok hij, na een j’accuse te hebben uitgesproken in de senaat, van schuiladres naar schuiladres. Intussen dreef de Chileense regering communisten in concentratiekamp Pisagua – commandant: ene Augusto Pinochet.

Zijn vlucht te paard over een besneeuwde bergpas naar Argentinië in 1949 vormde een passende finale van deze ‘grandioze achtervolging’. Met zo’n verhaal kan je aankomen in de cafés van Parijs.

Maar wilde de Chileense regering Neruda in 1948 wel echt achter de tralies? Dat gaf maar schandaal. Een partijlid verwijt het de dichter in de film, als ze de ‘onderduiker’ in alle openheid met vrienden ziet dineren. En hoe zullen wij er straks allemaal aan toe zijn na uw revolutie, vraagt ze hem. Als ik, sinds mijn elfde stront ruimend van de bourgeoisie? Of als u? Als mij, antwoordt Neruda uitgestreken. „Dan eten we op bed en neuken we in de keuken.”

Toch is Neruda bepaald geen ‘hatchet job’ om een al verbleekte mythe verder af te bladderen. De jacht op Neruda wordt in de film geleid – en verteld – door inspecteur Oscar Peluchonneau (Gael García Bernal). Een „wit blad, wachtend op zwarte inkt”, zegt hij zelf. Zijn rol bestaat eruit overal nipt te laat komen, zodat Neruda de Scarlet Pimpernel van Chili kan uithangen. Een imaginaire, impotente nemesis die spreekt in de prachtigste volzinnen.

Dat onderstreept wat Larraíns ware opzet is: de kijker verplaatsen in het brein van de dichter die zijn eigen mythe spint. Niet zonder twijfel of schuldgevoel: Pablo Neruda is te intelligent om zijn zwaktes, narcisme en privileges te ontkennen. Het resulteert in een wonderlijke, fascinerende en ingenieuze biopic, alleen vergelijkbaar met het spiegelpaleis van Todd Haynes’ Bob Dylan-biopic I’m not There.