Column

De bedreiging

De rechtszaak van Alexander Pechtold voor het gerechtshof in Leeuwarden gaf mij een indringend déjà-vu-gevoel. Pechtold was boos geworden en in beroep gegaan omdat een rechter in Groningen de man had vrijgesproken, die hem op Facebook met de dood had bedreigd met de tekst: „Pechtold, je moet een kopschot hebben.”

Twaalf jaar eerder was mij iets dergelijks overkomen. Ik heb er destijds niet over willen schrijven, maar tegen de achtergrond van Pechtolds zaak worden mijn ervaringen relevant: er blijkt uit hoe lastig zulke zaken voor de rechterlijke macht zijn.

Op 6 november 2004 kreeg ik de volgende e-mail: „Hi, naar mijn bescheiden mening moet Frits A. de volgende worden die wordt afgeslacht in plaats van Ayaan. Misschien dat dan duidelijk gaat worden wat een bekrompen boerensocieteit dit land is geworden. Vuile fascist. Ze zouden je kaal moeten scheren en een hakenkruis op je kop moeten tatoeren. NSBer. Vriendelijke groet.” Daaronder stonden naam en adres van de afzender.

Het was vier dagen na de moord op Theo van Gogh. Ik had altijd kritisch over hem geschreven, zowel voor als na de moord, hoe weerzinwekkend ik die ook vond. Ik was gewend aan de hatemails van de Van Gogh-fans, maar deze reactie overtrof alles. Ik zag op tegen alle poespas rond een aangifte, maar ging er op advies van mijn hoofdredactie toch toe over. Dus zat ik een dag later tegenover twee aandachtige rechercheurs van de Amsterdamse politie.

Ze kwamen snel in actie, haalden de afzender uit zijn huis (naam en adres bleken te kloppen) en zetten hem voor ondervraging zes uur vast op het bureau. Daarna gingen de juridische molens traag malen. De zaak diende op 8 april 2005 voor de Amsterdamse politierechter.

Kort daarvoor was ik benaderd door een redacteur van de Haagse Post, inmiddels een sterk verrechtst blad. De verdachte bleek in contact met de redactie te staan en probeerde zo druk op mij uit te oefenen. Hij had hun verteld dat hij een gehandicapte in een rolstoel was. De HP-redacteur suggereerde dat ik daarom mijn aangifte maar moest intrekken. Ik weigerde. Waarom zou een invalide boven de wet staan? Bovendien herinnerde ik mij Ironside, de invalide rechercheur uit de gelijknamige tv-serie, die vanuit zijn rolstoel verdomd goed kon schieten als het nodig was.

Enkele dagen voor de rechtszaak kreeg ik ook voor het eerst een reactie van de dader zelf. Van Gogh bleek hem in een of andere persoonlijke kwestie geholpen te hebben. De dader schreef me dat hij satire had willen bedrijven en dat hij spijt had van het feit dat „u zich in zo’n mate bedreigd voelde dat u aangifte heeft gedaan”. Hij had dus meer spijt van mijn aangifte dan van zijn daad.

De politierechter veroordeelde hem voor bedreiging met zware mishandeling tot twee maanden gevangenis voorwaardelijk, het Amsterdamse gerechtshof sprak hem een jaar later vrij, de Hoge Raad vernietigde dit vonnis en verwees de zaak terug naar het Amsterdamse gerechtshof, dat vervolgens in andere samenstelling de verdachte veroordeelde tot een maand gevangenis voorwaardelijk, waartegen hij in beroep ging bij de Hoge Raad, die dit beroep verwierp.

Het was inmiddels 16 november 2010 – ruim vijf jaar na de eerste zitting van de politierechter. Wie zijn recht wil halen moet geduld hebben.