Column

Trump kiest kabinet: ’t zijn net mensen

Wie wordt de loodgieter van president Donald Trump? Nee, niet de professionele klusjesmannen van zijn vastgoedimperium. Het gaat me om het kabinet van de nieuwe president, die zich politiek nu omringt met mensen die minstens miljonair zijn. Maar soms ook miljardair, net als hijzelf. Wilbur Ross, zijn kandidaat voor het ministerie van Handel is er ook een. Evenals de familie van de nieuwe minister van Onderwijs, Betsy DeVos.

Zo gaat dat. Een Amerikaanse president omringt zich graag met gelijkgestemden – ja, het zijn net mensen. Bij Trump zijn dat zakenlieden en financiers. In Amerikaanse media las ik afgelopen week het bedrag van 35 miljard dollar: het totale vermogen van de mensen die al benoemd waren als adviseur of minister, of genoemd werden voor een post. Nu is het kabinet van een Amerikaanse president niet zo politiek machtig als in Nederland. Bij de president zélf is veel macht geconcentreerd, maar toch… een mooi bedrag.

De keuze van Trump doet me het meest denken aan de selectie van Dwight Eisenhower, de oorlogsheld, die in 1953 president werd. Hij was Republikein. De typering van diens kabinet was: acht miljonairs en een loodgieter. Die laatste was Martin Durkin, de voorzitter van de vakbond van loodgieters. Hij werd minister van Arbeid. Hij was overigens een Democraat.

Eisenhower toen, Trump nu. Het verschil is een factor 1.000. Eisenhower kwam meteen in een lastig parket. Zouden de beslissingen van zijn ministersploeg niet botsen met de belangen van hun vroegere werkgever of met hun eigen belangen als aandeelhouder in die bedrijven? Dat gold zeker voor Charly Wilson, de beoogde minister van Defensie. Hij kwam van General Motors, toen het grootste bedrijf ter wereld, en bezat voor 2,5 miljoen dollar aandelen GM. Als minister was hij verantwoordelijk voor 5 miljard dollar aan overheidsopdrachten aan GM. Maar hij had geen zin om die aandelen te verkopen, zijn ministersalaris was al een enorme aderlating. Hij moest onder druk van het Congres bakzeil halen. En alles verkopen.

Zal dat ook het lot zijn van president Trump? Hij zei aanvankelijk dat een president geen belangenconflict kan hebben en hij gaf tegenstrijdige antwoorden op de vraag of hij zijn bedrijf op afstand zou zetten. Vorige week beloofde hij zijn zakelijke belangen „te verlaten”.

Het is onduidelijk wat dat betekent. Aan een stichting overdragen? De leiding aan zijn kinderen geven? De hele organisatie verkopen aan iemand anders? Een beursgang?

Peggy Noonan schreef daarover vorige week in haar column in The Wall Street Journal. Noonan was tekstschrijver voor Ronald Reagan, net als Trump een buitenstaander die Amerika weer groot en machtig zou maken. Noonan schreef voor Reagan de herdenkingsrede na de dodelijke ramp met de Challenger-spaceshuttle dertig jaar geleden. Die speech staat nummer acht op de ranglijst van de honderd beste politieke redevoeringen in de 20ste eeuw. Amerikanen zijn dol op lijstjes.

In haar column schrijft Noonan dat Trump zijn hele leven al zijn energie heeft gestoken in drie doelen: geld, winst en de transactie (the deal). Dat is zijn zwakke plek. Als hij zijn gedrag niet wijzigt zullen de Democraten en de media hem daar te grazen willen nemen. Dus zal Trump de pijnlijke beslissing moeten nemen. Hij zal, schrijft Noonan, zijn bedrijf, zijn vastgoed, zijn levenswerk moeten offeren voor zijn ambt. Uit vaderlandsliefde.

Hij moet zelf de loodgieter zijn die het gedonder oplost.

Menno Tamminga schrijft elke week over ondernemingsbeleid en economie