Column

Telefoon

De dochter (1) en ik aten banaan. Even verderop ging de telefoon. Mijn moeder. Ze belt iedere week om even met haar kleindochter te praten. Omdat zij slecht hoort en de dochter maar één woord kent – ‘nee’ – zijn dat bijzondere gesprekken.

„Hoe was het in het ziekenhuis?”, vroeg ik.

„Ik dacht dat ik Jan Terlouw in de wachtruimte zag zitten…”

„Maar dat was niet zo”, zei ik alvast, want dat zou wel heel toevallig wezen.

„Nee”, zei ze, „hij was het niet, maar hij leek er wel op.”

Ze had hem een week eerder in De Wereld Draait Door gezien, maar niet geluisterd.

„Hadden wij ook een touwtje uit de brievenbus hangen?”, vroeg ik.

„Nee, natuurlijk niet”, zei ze. „Ik werkte gewoon. Als logopediste, dat weet je toch nog wel?”

Daarna zei ze dat ze even oud was als Jan Terlouw en dat hij mijn vaders baas was geweest.

„Ja-haa”, zei ik, „maar ze spraken elkaar nooit. Hij was commissaris van de Koningin in Gelderland en papa was maar gewoon ambtenaar…”

„Hij wist niks van dijken, dat zei papa altijd….”

Ondertussen kroop de dochter ‘nee-schuddend’ met een banaan in haar hand richting de televisie. Ik geloof dat ik dat het liefste aan haar vond, dat ze alvast ‘nee’ ging zeggen voordat ze iets ging doen wat niet mocht.

„Een ogenblikje”, zei ik, „ik zet je op de speaker. Ze gaat banaan tegen het televisiescherm smeren.”

Mijn moeder: „Och, wat gezellig!”

Ik legde de telefoon op tafel.

Mijn moeder sprak gewoon door.

Over dat ze in het provinciehuis in Arnhem mijn vaders rapporten over de loop van de rivier de Berkel nooit lazen, terwijl hij er toch zoveel energie in stopte.

„Papa werkte altijd, zelfs in het huisje in Zwitserland. Maar ze lazen het niet. Ik heb een hele stapel rapporten gevonden toen ik z’n werkkamer uitmestte. Ze zaten in kartonnen mapjes.”

Ik zette de dochter weer op de grond en pakte de telefoon.

„Wat heb je ermee gedaan?”, vroeg ik op een toon alsof ze bleekmiddel over een Rembrandt had gespoten. „Toch niet weg gegooid, hè?”

„Gewoon, door de papierversnipperaar”, zei ze. „Weg ermee!”

Opeens zachtjes: „Zeg, is ze er nog? Want ik bel niet voor jou.”

Ik gaf de telefoon aan de dochter.

„Wie ben ik?”, hoorde ik mijn moeder zeggen. „Ik ben oma, vind je het leuk dat ik bel?”

„Nee”, zei de dochter, waar ze ‘ja’ bedoelde want ze drukte de iPhone tegen haar oor. Ik hoorde mijn moeder zingen en praten, en dat ging gewoon door nadat de dochter de iPhone op de grond had gesmeten.